Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar bedrijfspand aan een adres in een plaats, vastgesteld op €540.000 per 1 januari 2020. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de heffingsambtenaar de brutohuurwaarde en kapitalisatiefactor onderbouwde met vergelijkbare referentieobjecten op hetzelfde bedrijventerrein.
Eiseres betwistte de vergelijkbaarheid van de referentieobjecten en stelde dat een lagere kapitalisatiefactor van 8,0 passend was. De rechtbank oordeelde dat de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de gehanteerde kapitalisatiefactor van 9,0 zelfs lager was dan bij de referentieobjecten. Ook de stelling dat onvoldoende rekening was gehouden met huurvrije perioden en parkeerplaatsen werd verworpen na toelichting van de taxateur.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €50 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer twee maanden, waarbij de schuld deels bij de heffingsambtenaar en deels bij de rechtbank lag. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €82,03 toegekend, gebaseerd op samenhangende zaken en een forfaitair puntensysteem.