Verzoekster diende op 16 februari 2024 beroep in wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 21 april 2023 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder besloot alsnog op 12 maart 2024 op het bezwaar. Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank overwoog dat verzoekster reeds het maximale bedrag van €30.000 uit de Catshuisregeling had ontvangen bij het primaire besluit. Daarom was het indienen van bezwaar en het daarop volgende beroep tegen het niet tijdig beslissen zonder redelijk doel, aangezien over de uitkomst geen onzekerheid bestond.
De rechtbank concludeerde dat verzoekster oneigenlijk gebruik maakte van het rechtsmiddel en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing werd op 12 juli 2024 in Utrecht uitgesproken door rechter B. Fijnheer.