Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.Wat is er gebeurd?
3.Wat wil [eiser] en wat vindt [gedaagde] daarvan?
4.Wat oordeelt de kantonrechter?
5.De beslissing
17 juli 2024.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak vordert de stiefvader betaling van € 25.000,- voor materiaalkosten die hij maakte tijdens de verbouwing van een gezamenlijk huis met zijn stiefdochter. Hij baseert zijn vordering primair op het bestaan van een overeenkomst en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.
De kantonrechter oordeelt dat er geen overeenkomst is gesloten tussen partijen over de betaling van deze kosten, omdat de stiefvader zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast is de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet toewijsbaar, omdat er een redelijke grond bestond: de stiefvader en zijn echtgenote zouden gebruik maken van het huis, waardoor zij ook profijt hadden van de verbouwing.
De familierelatie en de gezamenlijke intentie om het huis te gebruiken vormen een redelijke grond die een vordering op ongerechtvaardigde verrijking uitsluit. Ook is geen sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid. De stiefvader wordt veroordeeld in de proceskosten en moet deze binnen veertien dagen voldoen.
Uitkomst: De vordering van de stiefvader tot betaling van materiaalkosten wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.