ECLI:NL:RBMNE:2024:4416

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juni 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
UTR 23/3099
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es- de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na gedeeltelijke tegemoetkoming UWV in Wajong-uitkering

Verzoekster stelde beroep in tegen de beslissing van het UWV waarin haar recht op een Wajong-uitkering werd ontzegd per 4 februari 2019. Na bezwaar wijzigde het UWV het besluit en kende alsnog per 3 maart 2022 een Wajong-uitkering toe. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank om het UWV te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het UWV met het gewijzigde besluit gedeeltelijk tegemoet was gekomen aan het beroep van verzoekster, waardoor vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 Awb Pro gerechtvaardigd was. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand werden vastgesteld op € 1.750,-, bestaande uit twee punten van elk € 875,-.

Daarnaast werd gewezen op de vergoeding van het griffierecht, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het UWV moet wenden. De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten aan verzoekster. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es- de Vries op 14 juni 2024.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. S. Wortel)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),verweerder
(gemachtigde mr. J.R. Staarthof).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van verzoekster.
2. Verzoekster heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van
3 oktober 2023. In deze beslissing op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit van 20 oktober 2022 ongegrond verklaard. In het primaire besluit van 20 oktober 2022 heeft het Uwv medegedeeld dat verzoekster per 4 februari 2019 geen recht heeft op een Wajong-uitkering.
3. Met het besluit van 12 maart 2024 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van
3 oktober 2022 gewijzigd en alsnog met ingang van 3 maart 2022 aan verzoekster een Wajong-uitkering toegekend.
4. Verzoekster heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv met het besluit van 12 maart 2024 gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Met dit besluit heeft het Uwv immers alsnog per 3 maart 2022 een Wajong-uitkering aan verzoekster toegekend. Dit betekent dat het verzoek van verzoekster om vergoeding van het Uwv in de proceskosten wordt toegewezen.
7. De rechtbank stelt deze kosten vast op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. Voor het door verzoekster betaalde griffierecht geldt dat deze kosten op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door het Uwv moeten worden vergoed. Verzoekster moet zich voor de vergoeding van deze kosten daarom rechtstreeks tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,-, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.