Eiseres maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin haar WW-uitkering werd geweigerd wegens niet voldoen aan de wekeneis. Tijdens de bezwaarprocedure herzag het UWV dit besluit en kende alsnog de uitkering toe, maar wijzigde dit later weer op grond van een andere reden. De rechtbank oordeelde dat het intrekken of vervangen van een besluit tijdens bezwaar moet worden gezien als herroeping in de zin van de Awb, waardoor het UWV de proceskosten van eiseres uit de bezwaarfase moet vergoeden.
De rechtbank stelde vast dat het UWV de onrechtmatigheid in het eerste besluit had erkend door het tweede besluit, en dat de latere wijziging op een andere grondslag geen afbreuk doet aan de verplichting tot vergoeding van proceskosten. Daarnaast veroordeelde de rechtbank het UWV ook tot vergoeding van de proceskosten uit de beroepsfase en het griffierecht.
De rechtbank baseerde haar oordeel mede op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit van 24 november 2023 vernietigd voor zover het proceskosten betreft, en het UWV werd veroordeeld tot betaling van in totaal €2.374,- aan proceskosten en €50,- griffierecht.