ECLI:NL:RBMNE:2024:4528

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
25 juli 2024
Zaaknummer
UTR 24/3384
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens tijdige beslissing op aanvraag aanvullende schadevergoeding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het vermeende niet tijdig beslissen van de Belastingdienst/Toeslagen op zijn aanvraag van 10 oktober 2023 voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder stelde dat de beslistermijn was verdaagd met zes maanden, waardoor de termijn tot 10 oktober 2024 liep.

Eiser betwistte de ontvangst van de brief over de verdaging, die niet aangetekend was verzonden. De rechtbank vroeg verweerder om bewijs van correcte verzending. Verweerder overlegde een verzendadministratie waaruit bleek dat de brief op 6 maart 2024 was verzonden naar het juiste adres, terwijl eiser op 4 april 2024 verhuisde.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de verdagingsbrief correct was verzonden en dat de ingebrekestelling niet geldig was omdat deze vóór het einde van de beslistermijn was ontvangen. Daarom was verweerder niet in gebreke en was het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn rechtsgeldig is verdaagd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3384

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 10 oktober 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 4 juni 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
3. In het verweerschrift stelt verweerder dat er geen sprake is van niet tijdig beslissen. Eiser heeft op 10 oktober 2023 een verzoek gedaan om aanvullende schadevergoeding. De beslistermijn eindigde op 10 april 2024 en is door verweerder bij brief van 13 maart 2024 verdaagd met 6 maanden. Verweerder heeft dus nog tot 10 oktober 2024 de tijd om een beslissing te nemen. De ingebrekestelling is door verweerder ontvangen op 11 april 2024, dat is voor het einde van de beslistermijn.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de brief over de verdaging niet heeft ontvangen. Deze brief is niet-aangetekend verzonden. Deze omstandigheden leiden ertoe dat verweerder aannemelijk moet maken dat deze brief is voorzien van de juiste adressering, een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
5. Bij brief van 12 juni 2024 heeft de rechtbank verweerder verzocht de verzending van de brief over de verdaging aannemelijk te maken. In dit verband heeft verweerder een uitdraai van de verzendadministratie overgelegd en daarbij verwezen naar de al eerder overgelegde kopie van de verdagingsbrief. Uit de verzendadministratie blijkt dat de verdagingsbrief met dagtekening 13 maart 2024 is aangemaakt en verzonden op 6 maart 2024. Dit is terug te vinden in het verzendsysteem onder het kopje “verzonden berichten”. Verweerder is op 22 mei 2024 door de gemeente op de hoogte gesteld dat eiser per 4 april 2024 is verhuisd. De rechtbank stelt vast dat de tenaamstelling en adressering ten tijde van de verzending van de brief juist is. Verweerder heeft met hetgeen hij heeft gesteld en met de overgelegde verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat de brief op een juiste wijze is verzonden.
6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder op 11 april 2024 nog niet te laat was met beslissen en dus niet in gebreke was. De ingebrekestelling is niet geldig. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.