Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 11 juni 2024;
- de mondelinge behandeling van 12 juli 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding tussen Stichting Studenten Huisvesting en een huurder die sinds 1 juni 2023 een appartement huurt. Studenten Huisvesting vordert ontruiming omdat de huurder prostitutiewerkzaamheden in het gehuurde laat verrichten, wat in strijd is met de huurovereenkomst en een eerder gesloten vaststellingsovereenkomst.
De kantonrechter stelt vast dat de huurder bewust de afspraken over het verbod op prostitutieactiviteiten heeft geschonden. Ondanks het protest van de huurder is de vaststellingsovereenkomst geldig en bindend. De huurder erkent dat vriendinnen in het appartement werken als prostituee.
De rechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en dat het zeer waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden wegens deze tekortkoming. Het belang van Studenten Huisvesting en de andere huurders weegt zwaarder dan het woonbelang van de huurder, mede vanwege de overlast en het risico op herhaling.
De huurder krijgt een termijn van veertien dagen om het gehuurde te ontruimen. Tevens wordt hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €943,97. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 26 juli 2024 uitgesproken door de kantonrechter.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen wegens prostitutieactiviteiten in het gehuurde.