ECLI:NL:RBMNE:2024:4659
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Exclusief gebruik woning toegewezen aan medehuurder met eenhoofdig gezag over minderjarige
In deze zaak vorderen twee contractuele medehuurders het exclusieve gebruik van een huurwoning na het beëindigen van hun affectieve relatie. Partijen hebben een minderjarige dochter en zijn niet gehuwd of geregistreerd partners. De relatie eindigde op 12 november 2023, waarna de gedaagde de woning op 10 februari 2024 verliet na een kort geding.
De eiser vordert nu het definitieve exclusieve gebruik van de woning en het alleenrecht op het huurcontract, terwijl de gedaagde dit betwist en hetzelfde vordert. De kantonrechter overweegt dat beide partijen een groot belang hebben bij de woning, mede vanwege de krapte op de woningmarkt en het ontbreken van alternatieven.
De belangenafweging wordt uiteindelijk bepaald door het belang van de minderjarige dochter, die haar hoofdverblijf in de woning heeft en waarbij de eiser het eenhoofdig gezag heeft. De omgangsregeling geeft de gedaagde beperkte bezoekrechten, waardoor de eiser het grootste deel van de zorg draagt. Dit leidt tot een zwaarder belang van de eiser bij het behoud van de woning.
De kantonrechter wijst de vordering van de eiser toe en wijst de tegenvordering van de gedaagde af. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de eerdere relatie tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kantonrechter wijst het exclusieve gebruik van de woning toe aan de eiser met eenhoofdig gezag over de minderjarige.