Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
- een geschrift, te weten een rapport NFIDENT van 31 augustus 2022, zaaknummer 2022.08.31.080, opgemaakt door ing. N. van Doorn, NFI-deskundige forensische drugsanalyse, houdende een verklaring van deze NFI-deskundige (
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2024.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
aan haar schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 158 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2, 10 en 13a van de Opiumwet;
11.BESLISSING
- verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uur taakstraf per dag;
- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van
- stelt daarbij een proeftijd van
- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;