De rechtbank Midden-Nederland behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die werd veroordeeld voor handel in cocaïne en witwassen. De officier van justitie vorderde betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €27.441,-. De verdediging betwistte de berekeningswijze en stelde dat het in beslag genomen geldbedrag in mindering moest worden gebracht.
De rechtbank stelde vast dat de handel in cocaïne en lachgas plaatsvond tussen 22 juli 2022 en 13 juni 2023, waarbij de omzet werd berekend op basis van bankgegevens en getuigenverklaringen. De omzet bedroeg circa €54.883,-, waarvan 50% als kosten werd gerekend, wat resulteerde in een winst van €27.441,-.
Omdat het in beslag genomen geldbedrag van €31.670,- hoger is dan het berekende voordeel, werd de betalingsverplichting op nihil gesteld om dubbele bestraffing te voorkomen. De rechtbank baseerde haar beslissing op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en wees de vordering van de officier van justitie af voor betaling.