ECLI:NL:RBMNE:2024:4780

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 augustus 2024
Publicatiedatum
6 augustus 2024
Zaaknummer
11217142
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en betaling huurachterstand wegens niet-betaling woonruimte voor huisvesting buitenlandse werknemers

De zaak betreft een kort geding waarin eiser, verhuurder van woonruimte, vordert dat gedaagde, huurder van die woonruimte, wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van een aanzienlijke huurachterstand. Gedaagde huurt de woonruimte om buitenlandse werknemers te huisvesten, maar heeft nooit huur betaald. Eiser heeft de huurachterstand deels verrekend met facturen van gedaagde, maar er resteert een achterstand van € 25.780,50.

Tijdens de mondelinge behandeling verscheen alleen eiser met haar gemachtigde en medewerkers; gedaagde was niet aanwezig en heeft geen uitstel verzocht, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot betaling van de huurachterstand en de toekomstige huurtermijnen tot ontruiming terecht is toegewezen. Ook de vordering tot ontruiming wordt toegewezen, omdat onderhuurders van onzelfstandige woonruimte geen huurbescherming genieten.

Daarnaast wordt een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegekend, zij het gemaximeerd volgens het toepasselijke Besluit. Gedaagde wordt hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de ontruimingstermijn is vastgesteld op veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van huurachterstand, toekomstige huur, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11217142 \ UV EXPL 24-166 RJ/58605
Vonnis in kort geding van 7 augustus 2024
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. O. Albayrak,
tegen

1.[gedaagde sub 1] .,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
3.
[gedaagde sub 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft [gedaagde sub 1] op 20 juli 2024 gedagvaard voor de kantonrechter.
1.2.
Op 31 juli 2024 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij waren aan de zijde van [eiser] de heer [A] (vastgoedbeheerder), de heer [B] (financieel medewerker) en mevrouw [C] (financemanager) aanwezig, samen met de gemachtigde van [eiser] , mr. O. Albayrak. Aan de zijde van [gedaagde sub 1] is niemand verschenen.
1.3.
Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
[gedaagde sub 1] huurt per 26 juli 2023 van [eiser] woonruimte aan de [adres] in [plaats] voor een bedrag van thans € 5.380,50 per maand. [gedaagde sub 1] is aannemer en heeft de afgelopen jaren diverse werkzaamheden voor [eiser] verricht. De huurovereenkomst is aangegaan zodat [gedaagde sub 1] in het gehuurde haar (buitenlandse) werknemers kan huisvesten. [gedaagde sub 1] heeft sinds het aangaan van de huurovereenkomst geen huur betaald. [eiser] heeft de huurfacturen verrekend met de facturen van [gedaagde sub 1] die aan [eiser] waren gericht. Na de verrekening blijft er een huurachterstand over van € 25.780,50, wat neerkomt op vijf maanden (maart 2024 tot en met juli 2024). [eiser] vordert in deze procedure – samengevat – ontruiming van het gehuurde, betaling van de huurachterstand vermeerderd met de wettelijke handelsrente, de toekomstige huurtermijnen tot het moment van ontruiming en buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde sub 1] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.De beoordeling

Spoedeisend belang
3.1.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, omdat het hier gaat om een aanzienlijke huurachterstand die steeds verder oploopt.
Verstek
3.2.
De kantonrechter verleent verstek tegen [gedaagde sub 1] , omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping van [gedaagde sub 1] in acht zijn genomen en zij niet in het geding is verschenen en niet om uitstel heeft verzocht.
3.3.
In de wet is bepaald dat als tegen de gedaagde partij verstek wordt verleend, de vorderingen tegen haar worden toegewezen, tenzij de kantonrechter de vorderingen ongegrond of onrechtmatig voorkomen.
Huurachterstand
3.4.
De vordering tot betaling van de huurachterstand van € 25.780,50 vermeerderd met de wettelijke handelsrente komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
Ontruiming
3.5.
De vordering tot ontruiming zal ook worden toegewezen, nu sprake is van een achterstand van meer dan drie maanden, zodat het zeer waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat niet van [eiser] kan worden verlangd dat zij de huurovereenkomst met [gedaagde sub 1] nog langer voortzet.
3.6.
De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling aan [eiser] gevraagd wat haar belang is bij de ontruimingsvordering, nu [gedaagde sub 1] zelf niet in het gehuurde verblijft. [eiser] antwoordde hierop dat zij met het vonnis de buitenlandse werknemers die in het pand een kamer in gebruik hebben kan ontruimen, omdat gebruikers of onderhuurders van onzelfstandige woonruimte geen recht hebben op huurbescherming.
3.7.
Uit de huurovereenkomst blijkt dat er nog vier andere personen in het pand woonden toen [eiser] de woonruimte aan [gedaagde sub 1] ging verhuren, namelijk de heren [D] , [E] , [F] en [G] . [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat voornoemde personen niet meer in het pand wonen. Mocht dat toch anders blijken te zijn, dan dient [eiser] zich te realiseren dat de veroordeling tot ontruiming niet jegens hen ten uitvoer gelegd kan worden, omdat zij huurders zijn van [eiser] zelf en niet van [gedaagde sub 1] .
3.8.
De kantonrechter zal de ontruimingstermijn bepalen op veertien dagen na betekening van dit vonnis, zoals door [eiser] is gevorderd.
Toekomstige huurtermijnen
3.9.
[eiser] vordert de huurtermijnen van € 5.380,50 per maand vanaf augustus 2024 tot het moment dat [gedaagde sub 1] het pand heeft ontruimd. Deze vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is na 1 juli 2012 ingetreden. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De vordering van € 1.249,69 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 1.032,81 bij € 25.780,50 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 1.032,81 toe.
Proceskosten
3.11.
[gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
116,46
- griffierecht
1.409,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.203,46
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.13.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde sub 1] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om te betalen aan [eiser] :
a. a) € 25.780,50 aan achterstallige huur tot en met 31 juli 2024, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening;
b) € 5.380,50 per maand vanaf 1 augustus 2024 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.032,81 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.203,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op
7 augustus 2024.