ECLI:NL:RBMNE:2024:4781

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 augustus 2024
Publicatiedatum
6 augustus 2024
Zaaknummer
C/16/578038 / KG ZA 24-366
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:15 BWArt. 2:35 BWArt. 6:119 BWArtikel 6 statuten golfvereniging
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzetting lidmaatschap golfvereniging wegens ontoelaatbare uitlatingen niet-ontvankelijk verklaard

Eiser is door de golfvereniging per brief van 15 mei 2024 het lidmaatschap ontzegd vanwege ontoelaatbare uitlatingen tijdens een herenavond op 28 maart 2024. Eiser betwist de uitlatingen en vordert schorsing van het besluit en inzage in de verklaringen die daaraan ten grondslag liggen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, mede omdat hij zijn beroep tegen het besluit bij de algemene ledenvergadering (ALV) nog niet heeft kunnen laten behandelen. Volgens artikel 2:35 lid 4 BW Pro moet eerst gebruik worden gemaakt van deze interne beroepsmogelijkheid.

Daarnaast is het merendeel van de verklaringen mondeling afgelegd en niet schriftelijk beschikbaar, waardoor inzage niet mogelijk is. De rechter oordeelt dat het bestuur voldoende concreet heeft gemotiveerd waarom het lidmaatschap is ontzegd en dat eiser weet tegen welke uitlatingen hij zich moet verweren.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en veroordeelt hem in de proceskosten van €1.973,00 plus wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en op 6 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tegen het ontzettingsbesluit en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/578038 / KG ZA 24-366
Vonnis in kort geding van 6 augustus 2024
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N.A. de Werd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- akte eiswijziging en overleggen aanvullende productie 16 van 18 juli 2024
- de mondelinge behandeling van 23 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De kern

2.1.
[gedaagde] heeft aan [eiser] per brief van 15 mei 2024 het lidmaatschap van [gedaagde] per direct ontzegd (geroyeerd) c.q. opgezegd. De directe aanleiding voor dat besluit waren de ongepaste uitlatingen die [eiser] tijdens de zogeheten herenavond van 28 maart 2024 heeft gedaan. Die uitlatingen heeft [gedaagde] benoemd in haar brief van 15 mei 2024:
Verschillende leden en/of personen hebben daarover bij het bestuur van [gedaagde] melding gemaakt of geklaagd. Dit incident was volgens [gedaagde] niet alleen in strijd met het reglement (en de etiquette) van de vereniging, maar ook met de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst uit 2022, waarin [eiser] in de nasleep van een eerder royement heeft verklaard zich te onthouden van ongepast gedrag (zoals bedoeld in bijlage A bij die vaststellingsovereenkomst, productie 3 van [eiser] ). [eiser] stelt dat hij de verweten uitlatingen nooit heeft gedaan. Hij is het niet eens met het besluit en stelt dat het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onzorgvuldig gehandeld en is hij geschaad in zijn verdediging doordat hij geen inzage heeft gekregen in de verklaringen van de leden en/of personen die over hem geklaagd hebben. [eiser] vordert – kort gezegd – schorsing van het ontzettingsbesluit van 15 mei 2024 en inzage in de verklaringen die ten grondslag liggen aan dat besluit.

3.De beoordeling

3.1.
Voordat de voorzieningenrechter aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen toekomt moet eerst worden vastgesteld of [eiser] ontvankelijk is in deze vorderingen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is.
Geen spoedeisend belang
3.2.
In de eerste plaats is het de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. Dat [eiser] als gevolg van de ontzetting geen toegang meer heeft tot [gedaagde] waardoor hij volgens zijn stellingen zijn zakelijke relaties niet kan onderhouden, kwalificeert in elk geval niet als een spoedeisend belang. Niet valt in te zien dat het onderhouden van zijn zakelijke relaties alleen mogelijk is op [gedaagde] . Dat heeft [eiser] ook niet gesteld. Het feit dat [eiser] niet eerder dan 3 september 2024 in de gelegenheid is om de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) bij te wonen waarop zijn beroep tegen het ontzettingsbesluit van 15 mei 2024 wordt behandeld, wijst er ook op dat [eiser] geen zodanig spoedeisend belang heeft. [gedaagde] heeft namelijk vier alternatieve data voorgesteld voor het houden van een ALV, waaronder dezelfde datum als die waarop de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft plaatsgevonden. [eiser] stelt op alle data verhinderd te zijn (geweest), maar dat is onvoldoende gebleken. Voor het bijwonen van de mondelinge behandeling in dit kort geding, was [eiser] immers niet verhinderd. Dat [eiser] alleen verhinderd was in de avonduren, maakt dat niet anders. Volgens [gedaagde] was het ook mogelijk de ALV in de middag te houden. [eiser] heeft daar echter niet om verzocht. Bovendien betreffen de verhinderingen die [eiser] ter zitting heeft aangevoerd voor een ALV in de avonduren sociale activiteiten aan zijn kant die – zo komt het de voorzieningenrechter voor – makkelijk verplaatst kunnen worden als het spoedig door de ALV beslissen over het ontzettingsbesluit zo belangrijk voor [eiser] zou zijn.
[eiser] is niet-ontvankelijk
3.3.
Ook als [eiser] wel een spoedeisend belang zou hebben, is hij niet-ontvankelijk omdat eerst de uitkomst van het beroep bij de ALV moet worden afgewacht. Artikel 2:35 lid 4 BW Pro (en artikel 6 van Pro de statuten van [gedaagde] ) bepaalt dat [eiser] binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het ontzettingsbesluit in beroep kan gaan bij de ALV. [eiser] heeft op 10 juni 2024 beroep ingesteld tegen het besluit bij de ALV, maar er is nog geen ALV gehouden waarop zijn beroep is behandeld. Onder verwijzing naar Hoge Raad 14 mei 1965 [1] is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet ten overstaan van de voorzieningenrechter de vernietiging van het ontzettingsbesluit kan vorderen met een beroep op de vernietigingsgronden van artikel 2:15 BW Pro als nog geen gebruik is gemaakt van deze interne beroepsmogelijkheid.
3.4.
Omdat de ALV nog geen beslissing heeft genomen op het beroep van [eiser] tegen het ontzettingsbesluit van 15 mei 2024 door de ALV, is [eiser] ten aanzien van de vorderingen die zien op de schorsing van dat besluit niet-ontvankelijk. Dat geldt ook ten aanzien van de vordering om [gedaagde] te gebieden [eiser] weer toegang te verlenen tot de golfclub, gelet op de onderlinge samenhang tussen die vorderingen.
3.5.
[eiser] vordert daarnaast inzage in de verklaringen die ten grondslag liggen aan het ontzettingsbesluit van 15 mei 2024. Doordat [eiser] geen inzage heeft gekregen in die verklaringen, stelt [eiser] dat hij geschaad is in zijn verdediging. Dat leidt er volgens [eiser] ook toe dat het ontzettingsbesluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 BW Pro. Het merendeel van de verklaringen is echter niet op schrift gesteld, omdat de leden en/of personen alleen bereid waren een mondelinge verklaring af te leggen bij het bestuur en de directie van [gedaagde] , zodat inzage geen optie is. Ten aanzien van deze vordering geldt ook dat [eiser] eerst gebruik had moeten maken van de interne beroepsmogelijkheid. De ALV zal zich eerst moeten buigen over de vraag of [eiser] is geschaad in zijn verdediging doordat inzage in de verklaringen niet mogelijk was en het ontzettingsbesluit van 15 mei 2024 van het bestuur van [gedaagde] om die reden niet in stand kan blijven. [eiser] is dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering tot inzage van de verklaringen.
3.6.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het besluit van het bestuur vernietigbaar is als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro worden geëist. Hiervoor moet worden getoetst of het bestuur bij het nemen van dat besluit zorgvuldig alle betrokken belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen. De rechter moet bij die toetsing echter terughoudend zijn. Het uitgangspunt is dat het bestuur beleidsvrijheid heeft.
3.7.
Volgens [gedaagde] hebben zes leden en/of personen afzonderlijk van elkaar verklaringen afgelegd over het gedrag van [eiser] tijdens de herenavond van 28 maart 2024. Dat [eiser] geen rechtstreeks inzage heeft gekregen in die verklaringen komt onder andere doordat niet alle leden en/of personen bereid waren een schriftelijke verklaring af te leggen. De hier bedoelde verklaringen zijn niet op schrift gesteld maar zijn mondeling afgegeven in gesprekken met bestuur en directie van [gedaagde] . Dat blijkt uit de verklaringen van de voorzitter en de directeur die zich bij de stukken bevinden.
3.8.
De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat het bestuur van [gedaagde] in haar ontzettingsbesluit concreet heeft gemotiveerd op grond van welke uitlatingen van [eiser] zij heeft besloten tot ontzegging van het lidmaatschap van [eiser] , meer specifiek de uitlatingen die [eiser] gedaan heeft tijdens de herenavond van 28 maart 2024. Voor [eiser] is het dus duidelijk waartegen hij zich moet verweren. Overigens hebben twee van de zes aanwezige leden en/of personen wél een schriftelijke verklaring afgelegd (verklaring [A] , productie 5 van [gedaagde] en verklaring [B] , productie 6 van [gedaagde] ), waarin zij bevestigen dat [eiser] die opmerkingen heeft gemaakt. [eiser] weet wie er aanwezig waren op de bewuste avond en kan deze personen benaderen in het kader van de behandeling van het ontzettingsbesluit op de ALV van 3 september 2024.
Proceskosten
3.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.973,00
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.973,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
WD 5648

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:1965:AD8077, Amsterdamse Speeltuinverbond