Eiseres, gebruiker van een winkelpand in het centrum van een plaats, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.105.000,- per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. Eiseres stelde beroep in en bepleitte een lagere waarde van €799.000,-. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de HWK-methode, waarbij de heffingsambtenaar de huurwaardekapitalisatiemethode toepaste en vergelijkbare transacties overlegde.
Tijdens de digitale zitting op 22 juli 2024 verzocht de heffingsambtenaar de op die zitting aangevoerde beroepsgronden buiten beschouwing te laten vanwege het late en onsamenhangende karakter daarvan, wat de goede procesorde zou schaden. De rechtbank volgde dit verzoek en liet deze gronden buiten beschouwing. De heffingsambtenaar had aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk niet langer dan twee jaar duurden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de uitspraak op bezwaar.