Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13
- de conclusie van repliek met eiswijziging
- de conclusie van dupliek met productie 14
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over de uitleg van het begrip 'feitelijk loon' in artikel 4.7 lid 5 van de horeca-cao, met betrekking tot een loonsverhoging van 2% per 1 januari 2023.
De werknemer was in deeltijd (32 uur per week) in dienst en vorderde betaling van een loonsverhoging, stellende dat zijn feitelijk loon binnen de loontabel viel. De werkgever stelde dat het loon naar evenredigheid van de deeltijdarbeidsomvang moest worden vergeleken met de loontabel, die is gebaseerd op een voltijd van 38 uur.
De kantonrechter hanteerde de cao-norm voor uitleg en concludeerde dat het feitelijk loon van de werknemer hoger was dan het naar evenredigheid omgerekende eindloon in de loontabel, waardoor geen recht op loonsverhoging bestond. Daarnaast werd een latere eiswijziging van de werknemer buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. Ook werd geoordeeld dat de werkgever geen te weinig loon had betaald over augustus 2023 en dat de inhouding van tijd voor tijd-uren terecht was.
De vorderingen van de werknemer werden afgewezen en hij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Vorderingen werknemer tot loonsverhoging worden afgewezen; werknemer moet proceskosten betalen.