ECLI:NL:RBMNE:2024:515
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Toekenning verzoek tot verschoning wegens schijn van partijdigheid in familierechtelijke kortgedingzaak
Verzoekster, een familierechter, diende een verzoek tot verschoning in voor een kortgeding dat zij op 5 februari 2024 zou behandelen. De zaak betreft de omgang tussen vader en dochter. Verzoekster gaf aan zich niet vrij te voelen om te beslissen omdat zij de moeder van de partijen persoonlijk kent en hun dochters samen op dezelfde basisschool zaten. Ook is de zus van verzoekster intern begeleider op die school en kent zij de partijen.
De verschoningskamer toetste het verzoek aan artikel 40 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat voorschrijft dat rechters zich kunnen verschonen bij feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden. De kamer benadrukte dat onpartijdigheid moet worden vermoed, tenzij er objectief gerechtvaardigde vrees is voor vooringenomenheid of de uiterlijke schijn daarvan.
Gezien de persoonlijke relaties en de gevoelens van verzoekster achtte de kamer de schijn van partijdigheid aanwezig. Dit kan het vertrouwen in het rechterlijk apparaat schaden. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen.
De beslissing werd op 2 februari 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter en leden van de verschoningskamer. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wegens schijn van partijdigheid wordt toegewezen.