Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:5168

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
15-250253-22
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing tot afscherming identiteit verdachte politieagent in strafzaak levensdelict

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 mei 2024 een beslissing genomen over de verzoeken tot afscherming van de identiteit van een verdachte politieagent in het onderzoek naar een levensdelict, bekend als onderzoek 'Cuzco'. Zowel de raadsman van de verdachte als het Openbaar Ministerie hadden verzocht om de identiteit van de verdachte ook tijdens de verdere procedure, inclusief de terechtzitting van 17 mei 2024, af te schermen voor nabestaanden, publiek en pers. De raadsman van de nabestaanden verzette zich hiertegen, tenzij objectief gevaar zou blijken.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van een openbaar strafproces geldt, maar dat onder bijzondere omstandigheden, zoals hier, afscherming mogelijk is. De verdachte is een politieagent die tijdens zijn functie wordt vervolgd voor een levensdelict, wat een bijzondere positie schept. De rechtbank achtte het aannemelijk dat een gewelddadige groepering dreiging vormt vanwege het onderzoek, waardoor afscherming noodzakelijk is.

De procedure wordt zo ingericht dat de verdachte via een videoverbinding deelneemt en buiten beeld blijft, met stemvervorming om identificatie te voorkomen. De identiteit van de verdachte wordt alleen vertrouwelijk bekendgemaakt aan de voorzitter en griffier. Hiermee wordt het beginsel van openbaarheid gewaarborgd, terwijl de veiligheid van de verdachte wordt beschermd.

De rechtbank wijst het verzoek tot afscherming toe en zal ervoor zorgen dat de identiteit van de verdachte niet bekend wordt gemaakt aan nabestaanden, publiek en pers gedurende de procedure.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot afscherming van de identiteit van verdachte toe vanwege veiligheidsrisico's en organiseert de procedure met videoverbinding en stemvervorming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Beslissing op de verzoeken tot afscherming van de identiteit van de verdachte in onderzoek ‘Cuzco’ gedurende het onderzoek ter terechtzitting, gepland op 17 mei 2024.
De verzoeken
De raadsman van verdachte en de (zaaks)officier van justitie, hebben op respectievelijk 8 mei en 22 april 2024 de rechtbank verzocht om de identiteit van verdachte, die tot op heden door de politie en het Openbaar Ministerie is afgeschermd, ook in de verdere procedure afgeschermd te houden voor de nabestaanden, overige aanwezigen en eventueel aanwezige pers. De officier van justitie heeft zijn verzoek onderbouwd met een aantal schriftelijke stukken. De stukken zullen, gelet op de (privacy- en opsporingsgevoelige) informatie die daarin staat, niet worden verspreid aan overige (proces)deelnemers, en geen onderdeel uit (gaan) maken van het dossier. De officier van justitie heeft er daarbij ook op gewezen dat van verdachte om veiligheidsredenen nog geen persoonsgegevens in het strafdossier staan vermeld, dat het Gerechtshof de identiteitsafscherming van verdachte in de artikel 12 Sv Pro- procedure ook heeft gehandhaafd evenals de rechter-commissaris in het onderzoek na de artikel 12 Sv Pro-procedure.
De raadsman van de nabestaanden, mr. J. Spaargaren, heeft per e-mail onderbouwd laten weten zich in beginsel te verzetten tegen de (handhaving van de) afscherming van de identiteit van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Het standpunt van de nabestaanden is dat er op dit moment geen reëel gevaar is wat de voortdurende anonimiteit van verdachte rechtvaardigt. Mr. Spaargaren heeft zich namens de nabestaanden evenwel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank indien uit het onderzoek van de politie objectief blijkt dat dit gevaar er toch is.
Het oordeel van de rechtbank
Uitgangspunt is dat strafrechtelijke berechting in het openbaar plaatsvindt. Dit maakt controle mogelijk door de pers en het publiek op de rechtsgang en dient ter waarborging van een eerlijk proces voor de betrokkenen. Het wetboek van strafvordering schrijft voor dat de voorzitter van de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting begint door de identiteit van de verdachte vast te stellen. Het Wetboek van Strafvordering bevat geen regeling die voorziet in het voeren van een proces met een geanonimiseerde verdachte zoals hier aan de orde. Dat sluit echter niet uit dat onder omstandigheden in een strafzaak de identiteit van de verdachte toch kan worden afgeschermd, wanneer dat na afweging van alle betrokken belangen, waaronder het belang van de persoonlijke veiligheid van de verdachte, maar ook de belangen van de nabestaanden van het slachtoffer, als noodzakelijk moet worden beoordeeld. Daarbij is verder van belang dat het hier gaat om de vervolging van een politieagent die tijdens de uitoefening van zijn functie een levensdelict zou hebben gepleegd. In zoverre verschilt de positie ook van een verdachte die niet in uitoefening van een beroep een strafbaar feit begaat.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door de officier van justitie aangeleverde informatie dat vanuit een groepering die (excessief) geweld en geweld tegen de politie niet schuwt naar aanleiding van het komende onderzoek ter terechtzitting (hernieuwde) aandacht voor het schietincident kan ontstaan en dat dit kan leiden tot een dreigende situatie jegens verdachte. Met afweging van de diverse betrokken belangen ziet de rechtbank hierin aanleiding het verzoek tot afscherming van de identiteit toe te wijzen. Daarbij is het volgende van belang.
De rechtbank zal het onderzoek ter terechtzitting zo inrichten dat verdachte via een videoverbinding op een andere locatie aan de zitting kan deelnemen en buiten beeld blijft, behalve voor de officier van justitie en de rechtbank. De rechtbank onderzoek op dit moment nog de manier waarop de raadsman van de verdachte aan de zitting zal kunnen deelnemen: bij de verdachte via een beeldverbinding, vanuit de zittingszaal of een combinatie daarvan. Ook zal stemvervorming worden toegepast teneinde identificatie onmogelijk te maken. Verdachte zal aldus wel hoorbaar zijn voor iedereen in de zittingzaal, dus ook voor de nabestaanden en hun raadsman, de pers en het publiek. Verdachte zal via een beeldverbinding ook zicht hebben op de rechtbank en de officier van justitie. Alle in de zittingszaal aanwezigen kunnen op deze manier zelf en direct kennisnemen van alles wat ter zitting wordt gezegd en plaatsvindt. De enige beperking is dat nabestaanden, pers en publiek geen zicht zullen kunnen hebben op de verdachte en dat een zekere mate van stemvervorming bij de verdachte zal worden toegepast. Aldus is sprake van een openbare behandeling en niet van een situatie die in meer of mindere mate op één lijn is te stellen met een behandeling achter gesloten deuren of op een locatie waartoe het publiek en pers geen toegang hebben. Op die manier wordt het belangrijke beginsel van de openbaarheid van de terechtzitting voldoende gewaarborgd.
De naam van verdachte komt tot op heden niet in het strafdossier voor; verdachte wordt slechts vermeld onder nummer. Bij de justitiële autoriteiten is bekend wie de verdachte is die onder dit nummer wordt genoemd. Om de identiteit van de verdachte vast te kunnen stellen zal de rechtbank het Openbaar Ministerie verzoeken om de identiteitsgegevens van verdachte vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting vertrouwelijk aan de voorzitter en de griffier van de rechtbank te verstrekken, zodat zij voorafgaand aan de zitting de identiteit van de verdachte kunnen controleren.

Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken van de officier van justitie en de raadsman van verdachte toe en zal ervoor zorgdragen dat de identiteit van verdachte voor de nabestaanden, publiek en pers op de hiervoor weergegeven wijze in de verdere procedure bij de rechtbank zal zijn afgeschermd.
Deze beschikking is gewezen op 7 mei 2024 door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. A. Blanke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier.
Mrs. Edgar en Blanke zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.