ECLI:NL:RBMNE:2024:5186

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
10926175 \ MC EXPL 24-1034
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 21 RvArt. 111 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tegen niet-verschijnende gedaagde in civiele procedure

De kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde op 24 april 2024 een civiele zaak waarin de eiseres, een besloten vennootschap, een vordering instelde tegen een gedaagde die niet was verschenen. De rechter stelde ambtshalve vast dat de gedaagde niet als consument handelde bij het sluiten van de overeenkomst, waardoor consumentenbescherming niet van toepassing was.

De vordering werd bij verstek toegewezen, met uitzondering van de gevorderde rente over reeds verschenen rente, omdat niet was gesteld dat deze over een vol jaar verschuldigd was. Daarnaast werden de gevorderde informatiekosten gedeeltelijk afgewezen omdat deze niet overeenkwamen met de landelijk gehanteerde tarieven.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het hoofdbedrag, de proceskosten en de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf 30 januari 2024. Tevens werd de eisende partij geadviseerd in toekomstige procedures alle benodigde informatie reeds bij dagvaarding in te brengen om afwijzing te voorkomen.

Uitkomst: Vordering grotendeels toegewezen tegen niet-verschijnende gedaagde met betaling van €795,75 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 10926175 MC EXPL 24-1034 BRM/1604
Vonnis van 24 april 2024
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: Nova Legal B.V.,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 28 februari 2024 is de eisende partij bevolen om de stellingen nader toe te lichten en bewijsstukken in het geding te brengen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij op 27 maart 2024 een akte genomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter begrijpt uit de dagvaarding en de akte dat de gedaagde partij in uitoefening van zijn beroep of bedrijf de overeenkomst met de eisende partij heeft gesloten. Op deze overeenkomst zijn daarom geen consumentenbeschermende voorschriften van toepassing, waarvan de kantonrechter ambtshalve de naleving zou moeten beoordelen.
2.2.
De vordering zal, nu deze niet ambtshalve hoeft te worden getoetst en nu deze de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, bij verstek worden toegewezen met uitzondering van het volgende.
2.3.
Krachtens het bepaalde in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek is wettelijke rente over reeds verschenen wettelijke rente eerst verschuldigd na verloop van een jaar. Nu niet is gesteld of gebleken dat de thans gevorderde rente reeds over een vol jaar verschuldigd is, is de gevorderde rente over de reeds verschenen rente niet toewijsbaar.
2.4.
De informatiekosten worden (gedeeltelijk) afgewezen, nu de vordering op dit punt niet in overeenstemming is met de landelijk gehanteerde tarieven (vgl. de aanbeveling ‘Kosten voor raadplegen registers of opvragen uittreksels uit registers’) op www.rechtspraak.nl.
2.6.
De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 113,54
- griffierecht € 328,00
- salaris gemachtigde € 135,00 (1 punt(en) x tarief € 135,00)
- nakosten
€ 67,50(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 644,04.
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.8.
Tot slot geeft de kantonrechter de eisende partij slot met klem in overweging om in eventuele toekomstige procedures, anders dan in deze procedure is gebeurd, alle voor de beoordeling benodigde informatie (stellingen, tekstuele onderbouwing daarvan en producties) reeds bij dagvaarding in het geding te brengen. Het niet of niet volledig voldoen aan de wettelijke verplichtingen van de artikelen 21 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of het niet of onvoldoende onderbouwen van de stelling dat daarin is voldaan, kan (en zal op termijn) namelijk leiden tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering, waarbij geen gelegenheid (meer) zal worden verleend voor een nadere toelichting bij akte.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 795,75, vermeerderd met de wettelijke rente over € 763,93 vanaf 30 januari 2024 tot de voldoening;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 644,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2024.