ECLI:NL:RBMNE:2024:5343

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
UTR 23/5553
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep en toewijzing proceskostenvergoeding wegens overschrijding beslistermijn WIA-herbeoordeling

Verzoekster, Stichting Bartiméus Sonneheerdt, diende op 14 november 2023 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat dit niet tijdig had beslist op haar aanvraag van 3 februari 2023 voor herbeoordeling in het kader van de WIA.

Nadat verweerder op 2 januari 2024 alsnog een besluit nam, trok verzoekster het beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten. Verweerder stemde hiermee in.

De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde de proceskosten vast op €218,75, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte aard van het geschil. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €365,- rechtstreeks door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoekster en deed dit in het openbaar op 3 september 2024.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €218,75 aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5553

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen

Stichting Bartiméus Sonneheerdt, te Zeist, verzoekster

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 14 november 2023 omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 3 februari 2023 om herbeoordeling in het kader van de wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Verweerder heeft op 2 januari 2024 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.