Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 14 juli 2022 vond te Veenendaal een verkeersongeval plaats waarbij een fietser zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte werd primair verweten door rood licht te zijn gereden met een mobiele telefoon in de hand, waardoor hij schuld zou hebben aan het ongeval. Subsidiair werd hem verweten gevaar en hinder op de weg te hebben veroorzaakt.
Tijdens de zitting op 29 augustus 2024 betoogde de officier van justitie dat verdachte door rood licht reed en daardoor schuld had aan het ongeval. De verdediging stelde dat de verklaringen van verdachte zelf niet als bewijs konden dienen vanwege onduidelijkheden en formele bezwaren, en dat er geen bewijs was dat verdachte door rood licht reed of met telefoon in hand reed.
De rechtbank oordeelde dat het niet bewezen kon worden dat verdachte door rood licht reed of met telefoon in hand reed. De verklaringen van verdachte en getuigen waren onvoldoende en de verkeersongevalsanalyse gaf geen uitsluitsel. Het botsen met het slachtoffer stond vast, maar dit was niet de gedraging die schuld opleverde. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit.
Het slachtoffer liep zwaar letsel op, waaronder hersenletsel en meerdere fracturen, en is in 2023 overleden. De rechtbank erkende de ernst van het ongeval en de impact op alle betrokkenen, maar kon op basis van het bewijs geen strafrechtelijk verwijt aan verdachte maken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij door rood licht reed of met telefoon in hand reed, ondanks het ernstige ongeval met zwaar letsel.