Verdachte werd verdacht van witwassen van geldbedragen en goederen in de periode van 2018 tot 2021. De verdediging voerde een preliminair verweer in verband met overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM omdat het recht op een eerlijk proces niet was geschonden.
De rechtbank beoordeelde per feit het bewijs. Voor het eerste feit, het witwassen van geldbedragen, oordeelde de rechtbank dat het OM onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat verdachte wist dat de gelden uit een misdrijf afkomstig waren. Verdachte gaf concrete en verifieerbare verklaringen die het vermoeden van witwassen konden weerleggen. Voor het tweede feit, het witwassen van goederen zoals auto's, schoenen en gouden munten, vond de rechtbank eveneens dat verdachte voldoende aannemelijke verklaringen had gegeven over de herkomst, die het OM onvoldoende had onderzocht.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens gelastte de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen goederen, waaronder een auto, telefoon en computer, aan verdachte. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende onderzoek door het OM en de bescherming van het recht op een eerlijk proces.