Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
- terwijl een voor hem op de weg rijdende fietsster ( [slachtoffer] ), die door het uitsteken van haar arm had aangegeven linksaf te willen slaan en zich tegen de as van de rijbaan bevond,
- met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was [slachtoffer] links heeft ingehaald,
- vervolgens niet of niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd of uitgeweken waardoor hij tegen [slachtoffer] is aangereden,
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
first offender. Verdachte werkt als koerier en verdient hiermee inkomen, waarmee hij onder meer zijn drie jonge kinderen onderhoudt. Twee van de drie kinderen van verdachte kampen met gezondheidsproblemen. De jongste zoon van verdachte moet in deze periode worden geopereerd. De verdediging vraagt de rechtbank in verband met deze omstandigheden het rijbewijs van verdachte niet opnieuw in te vorderen. De verdediging verzoekt in geval van een bewezenverklaring de straf te beperken tot een geheel voorwaardelijke geldboete van maximaal € 500,00.
9.BENADEELDE PARTIJ
- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 19 mei 2022 (eerste jaar inkomstenderving);
- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 19 mei 2023 (tweede jaar inkomstenderving);
- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 19 mei 2024 (derde jaar inkomstenderving);
- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 19 mei 2025 (vierde jaar inkomstenderving);
- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 19 mei 2026 (vijfde jaar inkomstenderving).
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 62 van het Wetboek van Strafrecht,
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, en
- 30 van Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen,
11.BESLISSING
taakstrafvan
200 (tweehonderd) uren;
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
1 (één) jaar;
9 (negen) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;
€ 400,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 8 dagen.
- wijst de vordering van dhr. [nabestaande] toe tot een bedrag van € 27.170,05;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan € 27.170,05 van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente:
- verklaart dhr. [nabestaande] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door dhr. [nabestaande] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van dhr. [nabestaande] aan de Staat