ECLI:NL:RBMNE:2024:5544
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing uitvoerbaar bij voorraadverklaring in executiegeschil huurovereenkomst supermarkt
In deze zaak gaat het om een executiegeschil tussen een huurder en verhuurder van winkelruimte waarin een supermarkt werd geëxploiteerd. De huurder had de huurovereenkomst opgezegd en de exploitatie gestaakt, waarna de verhuurder een kort geding startte. Na een mondelinge behandeling werd een schikking getroffen, maar partijen verschillen van mening over de naleving daarvan.
De voorzieningenrechter heeft op 14 augustus 2024 een vonnis gewezen waarin de huurder werd veroordeeld de exploitatie te hervatten onder dreiging van een dwangsom, en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De huurder vordert nu schorsing van deze uitvoerbaarheid in afwachting van hoger beroep, stellende dat sprake is van een noodtoestand en dat de termijn te kort is om de winkel weer te openen.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis en dat de belangenafweging uitwijst dat het belang van de verhuurder bij executie zwaarder weegt dan het belang van de huurder bij schorsing. De huurder kan het maximale bedrag aan dwangsommen betalen en de situatie vormt geen noodtoestand. De vordering tot schorsing wordt afgewezen.
Daarnaast verzoekt de verhuurder om verhoging van de dwangsom wegens niet-naleving. De rechtbank oordeelt dat terughoudendheid geboden is bij het opleggen van hogere dwangsommen, mede omdat de huurder stelt niet aan de exploitatieplicht te kunnen voldoen en faillissement dreigt. De vordering tot verhoging van de dwangsom wordt daarom afgewezen.
De proceskosten worden verdeeld conform het liquidatietarief voor kort gedingen, waarbij de huurder en verhuurder elk een deel van de kosten dragen.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en verhoging van de dwangsom wordt afgewezen.