Eiser is eigenaar van een tussenwoning uit 1951 met een gebruiksoppervlakte van 70 m² en een aanbouw van 13 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €374.000,-, welke eiser betwistte. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar deze waarde, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de taxatiematrix die de heffingsambtenaar overlegd had, waarin vijf vergelijkbare woningen uit de omgeving waren opgenomen. Deze referentiewoningen waren qua bouwjaar, grootte en staat voldoende vergelijkbaar en recent verkocht nabij de waardepeildatum. De heffingsambtenaar had bovendien rekening gehouden met de staat van onderhoud en het duurzaamheidsniveau van de woning, ondanks het ontbreken van door eiser aangeleverde foto’s.
Eiser voerde aan dat de verouderde voorzieningen en het slechte duurzaamheidsniveau onvoldoende waren meegewogen en dat sommige referentiewoningen niet geschikt waren. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar dit voldoende had onderbouwd en dat de gebruikte vergelijkingsmethode en indexering correct waren toegepast. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.