Art. 6:3:3 SvArt. 6:6:23 SvArt. 125 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 126 lid 3 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaarschrift tegen niet-ondertekende omzettingsbeslissing vervangende hechtenis
Veroordeelde was op grond van een vonnis van mei 2023 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 30 uren, met een vervangende hechtenis van 15 dagen indien de taakstraf niet werd voltooid. De Reclassering rapporteerde in juni 2024 dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren had uitgevoerd. De officier van justitie besloot in juli 2024 tot toepassing van vervangende hechtenis, maar deze omzettingsbeslissing was niet ondertekend door een officier van justitie.
Veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing. Tijdens de terechtzitting op 26 september 2024 stelde de officier van justitie dat de niet-ondertekende omzettingsbeslissing toch rechtsgeldig was, maar de politierechter oordeelde anders. Volgens de politierechter vereist artikel 6:3:3 SvPro dat de beslissing tot vervangende hechtenis door een officier van justitie wordt genomen en niet gemandateerd kan worden. Omdat de omzettingsbeslissing niet was ondertekend en er geen bewijs was dat een officier van justitie deze had genomen, werd de beslissing als niet rechtsgeldig beschouwd.
De politierechter verklaarde het bezwaarschrift gegrond en bepaalde dat veroordeelde nog 18 uren taakstraf moet verrichten binnen drie maanden, met een vervangende hechtenis van 9 dagen als sanctie bij niet-naleving. Tevens werden contactgegevens van veroordeelde genoteerd voor de uitvoering van de taakstraf.
Uitkomst: Het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en veroordeelde moet alsnog 18 uren taakstraf verrichten binnen drie maanden, met 9 dagen vervangende hechtenis bij niet-naleving.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-095303-23
Raadkamernummer: 24-018418
Datum: 26 september 2024
Beslissing van de politierechter op het bezwaar op grond artikel 6:6:23 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
thans verblijvende op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
De procedure
Op grond van het vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 26 mei 2023 dient veroordeelde een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren te verrichten. Daarbij is bevolen dat vervangende hechtenis van 15 dagen zal worden toegepast voor het geval veroordeelde deze taakstraf niet (volledig) verricht.
De Reclassering heeft in het rapport van 18 juni 2024 aan het Openbaar Ministerie te kennen gegeven dat veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) heeft verricht.
De officier van justitie heeft op 12 juli 2024 beslist dat vervangende hechtenis wordt toegepast. De kennisgeving van deze beslissing is op 19 juli 2024 rechtsgeldig aan veroordeelde betekend.
Op 24 juli 2024 heeft de griffie van deze rechtbank een bezwaarschrift van veroordeelde ontvangen. Het bezwaarschrift richt zich tegen de beslissing tot toepassing van de vervangende hechtenis.
Het bezwaarschrift van veroordeelde is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 september 2024. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. T. van Brakel, veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. M. Neijenhuis, advocaat te Laren.
Het bezwaar
Namens veroordeelde is verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren en veroordeelde de gelegenheid te geven de taakstraf alsnog te voltooien.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de niet ondertekende beslissing
De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de omzettingsbeslissing, ondanks dat deze niet is ondertekend door een officier van justitie, rechtsgeldig is.
Ten aanzien van de inhoud
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.
Het oordeel van de politierechter
Rechtsgeldigheid omzettingsbeslissing
Op grond van artikel 6:3:3 SvPro beslist het Openbaar Ministerie of vervangende hechtenis wordt toegepast. Op grond van artikel 125 (met verwijzing naar artikel 1 sub b onderPro 6 en 7) juncto artikel 126 lid 3 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie gaat het daarbij om een beslissing van een officier van justitie, die niet kan worden gemandateerd. Daarbij is allereerst van belang dat het gaat om een bevoegdheid die leidt tot vrijheidsbeneming en voorts dat het een bevoegdheid betreft waarbij discretionaire ruimte wordt gelaten.
Nu de omzettingsbeslissing niet is ondertekend, kan de politierechter niet vaststellen of in het onderhavige geval door een officier van justitie is beslist tot toepassing van de vervangende hechtenis. Het dossier bevat ook overigens geen stukken waaruit blijkt dat de omzettingsbeslissing door een officier van justitie is genomen. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de omzettingsbeslissing niet rechtsgeldig is.
De politierechter zal het bezwaarschrift, dat zich richt tegen de (niet rechtsgeldige) omzettingsbeslissing, om die reden gegrond verklaren. De in het bezwaarschrift aangevoerde bezwaren kunnen daarom onbesproken blijven.
De politierechter bepaalt dat veroordeelde nog 18 uren taakstraf dient te verrichten, te vervangen door 9 dagen hechtenis indien veroordeelde de taakstraf niet (volledig) verricht. De politierechter bepaalt de termijn waarbinnen veroordeelde deze taakstraf dient te hebben verricht op 3 maanden na heden.
In het kader van de bereikbaarheid van veroordeelde heeft hij ten behoeve van de uitvoering van de taakstraf, ter zitting de volgende gegevens verstrekt:
Adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats]
Telefoonnummer: [telefoonnummer]
De beslissing
De politierechter:
- verklaart het bezwaarschrift gegrond;
- bepaalt dat veroordeelde 18 uren taakstraf moet verrichten binnen 3 maandenna heden, met bevel, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 9 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. A.M.M. Lemmen, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 september 2024.