4.3.1.Vrijspraak van feit 1
Toetsingskader
Om het witwassen van het ten laste gelegde geldbedrag bewezen te kunnen verklaren, moet worden vastgesteld dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het ten laste gelegde geldbedrag afkomstig is uit een specifiek bepaald misdrijf. Dat dit geldbedrag “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan ook bewezen worden verklaard, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit kan volgen dat het geldbedrag niet uit misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geldbedrag niet uit misdrijf afkomstig is.
Wanneer de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier en de verklaring van verdachte is gebleken dat hij op 19 februari 2019 een contant geldbedrag van € 17.000,- heeft overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte] . Uit het dossier kan verder worden afgeleid dat deze overdracht plaatsvond in het kader van het ondergronds bankieren door medeverdachte [medeverdachte] . Dit is evenwel zonder meer niet voldoende voor bewijs van witwassen.
De rechtbank heeft op 1 mei 2024 eveneens vonnis gewezen in de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , in welk vonnis medeverdachte [medeverdachte] onder meer is vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag dat hij op 19 februari 2019 overhandigd kreeg van verdachte. De rechtbank is namelijk niet overtuigd geraakt dat de gelden waarmee medeverdachte [medeverdachte] ondergronds heeft gebankierd, van misdrijf afkomstig zijn. Dit geldt ook voor het geldbedrag van € 17.000,- dat in de zaak van verdachte ten laste is gelegd.
Daarom is de rechtbank ook in de zaak van verdachte er niet van overtuigd geraakt dat verdachte zich met het voorhanden hebben en overdragen van dit geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
4.3.3.Gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 3
Verdachte wordt er van beschuldigd op 19 februari 2019 de volgende goederen te hebben witgewassen:
een geldbedrag van € 13.741,11
een polshorloge (merk: Rolex)
een personenauto, merk: Audi.
Om dit ten laste gelegde witwassen bewezen te kunnen verklaren, moet worden vastgesteld dat deze goederen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
De rechtbank stelt voorop dat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat de goederen genoemd in de tenlastelegging afkomstig zijn van (een) specifiek aan te duiden misdrijf of misdrijven.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van het dossier ten aanzien van deze goederen het vermoeden rechtvaardigt dat deze goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het dossier volgt dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 maart 2019, behalve zorgtoeslag, niet beschikte over reguliere legale inkomsten.
Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en de fouillering van verdachte bij zijn aanhouding op 19 februari 2019 zijn een contant geldbedrag van € 12.714,63 en diverse waardevolle goederen aangetroffen, waaronder een Rolex-horloge, later getaxeerd op
€ 4.500,- en luxe kleding met een aankoopwaarde van in totaal € 2.481,98. Daarnaast zijn contant-kassabonnen voor een totale waarde van € 6.433,13 voor onder andere kleding en elektronica aangetroffen. Ook bleek er sinds 11 februari 2019 een Audi A3 op naam te staan van verdachte, met een handelswaarde van € 14.494,-.
Ten slotte is er in de woning van verdachte 238,49 gram cocaïne gevonden, alsmede lege en gevulde ponypacks en een weegschaaltje met gewichtjes van 100 gram, wat in ieder geval een indicatie oplevert voor handel in cocaïne.
Naar het oordeel van de rechtbank levert het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid contant geld en de genoemde goederen, terwijl verdachte niet beschikte over legale inkomsten, een vermoeden op dat de ten laste gelegde goederen uit enig misdrijf, gepleegd door verdachte, afkomstig zijn.
Dit betekent, dat van verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verwacht over de herkomst van de ten laste gelegde goederen.
Verdachte heeft over de ten laste gelegde goederen een verklaring afgelegd, die hieronder per ten laste gelegd goed zal worden besproken.
Het geldbedrag van € 13.741,11
Het ten laste gelegde geldbedrag van € 13.741,11 is op de tenlastelegging niet nader gespecificeerd. Uit het dossier volgt dat er onder verdachte een contant totaalbedrag van
€ 12.714,63 in beslag is genomen. Over dit bedrag heeft verdachte verklaard dat hij
een bedrag van € 1.000,- voor zijn verjaardag op 19 januari 2019 van familie en zijn vriendin heeft gekregen, en dat hij nog eens een bedrag van € 1.000,- als voorschot op de verkoop van zijn VW Polo heeft gekregen. Het resterende bedrag zou hij hebben gespaard uit giften van zijn ouders en zijn vriendin, die hem de voorgaande jaren regelmatig geld zouden hebben toegestopt.
De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat verdachte een bedrag van € 1.000,- heeft ontvangen als voorschot op de verkoop van zijn VW Polo, nu uit RDW-gegevens is gebleken dat deze auto sinds 8 februari 2019 niet meer op naam van verdachte stond, en daarvóór wel. Ook de € 1.000,- aan verjaardagsgeld acht de rechtbank niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Dit betekent dat de rechtbank van een gedeelte van € 2.000,- van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 12.714,63 niet kan vaststellen dat dit van misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het witwassen van dit gedeelte, waardoor een bedrag van € 10.714,63 overblijft.
De rechtbank acht het echter niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk dat de familie en de vriendin van verdachte hem vóór 19 februari 2019 zoveel geld hebben gegeven, dat hij daarvan niet alleen de luxe kleding en goederen heeft kunnen kopen die bij hem thuis zijn aangetroffen, maar daarnaast van deze giften ook nog een bedrag van bijna € 11.000,- zou hebben kunnen sparen.
De rechtbank concludeert dan ook dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen contante geldbedrag van € 10.714,63 uit eigen misdrijf afkomstig is, en zal verdachte veroordelen voor het witwassen van dit geldbedrag.
De Audi A3
Tijdens zijn verhoren bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij de ten laste gelegde Audi A3 pas twee weken in zijn bezit had, dat hij deze had gekocht van het bedrijf van zijn broer [getuige 1] en dat hij deze nog niet had betaald. [getuige 1] heeft tegen de politie verklaard dat de politie ter verificatie van deze mededeling het beste contact op zou kunnen nemen met een andere medewerker van het bedrijf, die op dat moment in Marokko was. De politie heeft vervolgens nagelaten deze medewerker op een later moment te horen. De rechtbank heeft daardoor niet de overtuiging gekregen dat verdachte daadwerkelijk op 19 februari 2019 al voor de Audi A3 had betaald, mede omdat uit RDW-gegevens blijkt dat deze auto inderdaad pas sinds 11 februari 2019 op naam van verdachte stond. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde witwassen met betrekking tot deze Audi A3.
Het Rolex-horloge
Tijdens de politieverhoren van verdachte in 2019 zijn door de politie geen vragen gesteld over het onder verdachte in beslag genomen Rolex-horloge. Namens verdachte is in een klaagschriftprocedure bij deze rechtbank in 2020 gesteld dat dit Rolex-horloge eigendom is van een oom van verdachte, [getuige 2] . De raadsman van verdachte heeft hiertoe een schriftelijke verklaring van [getuige 2] aan de rechtbank overhandigd, alsmede een garantiebewijs van [bedrijf] B.V. op naam van [getuige 2] . Naar aanleiding hiervan heeft de officier van justitie in de klaagschriftprocedure toegezegd nader onderzoek te laten verrichten naar het eigenaarschap van deze Rolex. Dit onderzoek heeft kennelijk niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft daardoor niet met voldoende mate van zekerheid de overtuiging gekregen dat het ten laste gelegde Rolex-horloge daadwerkelijk door verdachte is gekocht. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het witwassen met betrekking tot dit Rolex-horloge.
Conclusie
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat een geldbedrag van € 10.714,63, dat verdachte op 19 februari 2019 voorhanden heeft gehad, van enig eigen misdrijf afkomstig was.
Verdachte zal dan ook worden veroordeeld voor het eenvoudig witwassen van dit geldbedrag.
Verdachte zal ten aanzien van het witwassen met betrekking tot de overige goederen worden vrijgesproken.