AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen niet-ondertekende omzetting taakstraf in hechtenis
Veroordeelde is bij vonnis van 22 maart 2024 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren met een vervangende hechtenis van 40 dagen indien de taakstraf niet wordt voltooid. Reclassering Nederland rapporteerde dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft uitgevoerd. Op 25 juni 2024 stelde het Openbaar Ministerie een omzettingsbeslissing op om de taakstraf om te zetten in vervangende hechtenis, maar deze beslissing is niet ondertekend door een officier van justitie.
De kennisgeving van deze omzettingsbeslissing vond rechtsgeldig plaats op 10 juli 2024. Veroordeelde diende op 17 juli 2024 een bezwaarschrift in tegen deze omzettingsbeslissing. Tijdens de openbare terechtzitting van 24 september 2024 werden de officier van justitie, veroordeelde en zijn raadsvrouw gehoord.
De politierechter oordeelde dat op grond van artikel 6:3:3 SvPro en artikel 125 junctoProartikel 126 lid 3 WetPro RO de omzetting van taakstraf in hechtenis een beslissing is die uitsluitend door een officier van justitie kan worden genomen en niet gemandateerd kan worden. Omdat de omzettingsbeslissing niet was ondertekend en het dossier geen bewijs bevatte dat een officier van justitie de beslissing had genomen, werd de omzettingsbeslissing als niet rechtsgeldig beschouwd.
Daarom verklaarde de politierechter het bezwaarschrift gegrond en bepaalde dat veroordeelde de taakstraf van 80 uren alsnog binnen 9 maanden moet voltooien, met de dreiging van 40 dagen vervangende hechtenis indien niet voldaan wordt. De beslissing werd uitgesproken door politierechter C.A.M. van Straalen op 24 september 2024.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de niet-ondertekende omzetting van taakstraf in hechtenis is gegrond verklaard en veroordeelde moet de taakstraf binnen 9 maanden voltooien.
Beslissing op grond van artikel 6:6:23 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de politierechter van 24 september 2024
op het ingediende bezwaarschrift in de zaak van:
[veroordeelde] ,geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres] te
( [postcode] ) [plaats] ,
domicilie kiezende op het kantoor van zijn raadsvrouw, mr. A. Szirmai te Heereveen,
hierna te noemen: veroordeelde.
De procedure
Op grond van het vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 22 maart 2024 dient veroordeelde (onder meer) een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren te verrichten. Daarbij is bevolen dat vervangende hechtenis van 40 dagen zal worden toegepast voor het geval veroordeelde deze taakstraf niet (volledig) verricht.
Reclassering Nederland heeft in het rapport van 14 juni 2024 aan het Openbaar Ministerie te kennen gegeven dat veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) heeft verricht.
Het dossier bevat een door het Openbaar Ministerie opgemaakte beslissing van 25 juni 2024 tot omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis (hierna: de omzettingsbeslissing). Deze beslissing is niet ondertekend door een officier van justitie.
De kennisgeving van deze beslissing is op 10 juli 2024 rechtsgeldig aan veroordeelde betekend.
Op 17 juli 2024 heeft de griffie van deze rechtbank een bezwaarschrift van veroordeelde ontvangen. Het bezwaarschrift richt zich tegen de omzettingsbeslissing.
Het bezwaarschrift van veroordeelde is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 september 2024. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. R. den Uijl-de Wildt, veroordeelde en zijn raadsvrouw.
Het bezwaar
Namens veroordeelde is verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren en veroordeelde de gelegenheid te geven de taakstraf alsnog te voltooien.
Het oordeel van de politierechter
Op grond van art. 6:3:3 SvPro beslist het ‘openbaar ministerie’ of vervangende hechtenis wordt toegepast. Op grond van artikel 125 (met verwijzing naar artikel 1 sub b onderPro 6 en 7) juncto artikel 126 lid 3 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie gaat het daarbij om een beslissing van een officier van justitie, die niet kan worden gemandateerd. Daarbij is allereerst van belang dat het gaat om een bevoegdheid die leidt tot vrijheidsbeneming en voorts dat het een bevoegdheid betreft waarbij discretionaire ruimte wordt gelaten.
Nu de omzettingsbeslissing niet is ondertekend, kan de politierechter niet vaststellen of in het onderhavige geval door een officier van justitie is beslist tot toepassing van de vervangende hechtenis. Het dossier bevat ook overigens geen stukken waaruit blijkt dat de omzettingsbeslissing (wel) door een officier van justitie is genomen. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de omzettingsbeslissing niet rechtsgeldig is.
De politierechter zal het bezwaarschrift, dat zich richt tegen de (niet rechtsgeldige) omzettingsbeslissing, om die reden (ambtshalve) gegrond verklaren.
De in het bezwaarschrift aangevoerde bezwaren kunnen daarom onbesproken blijven.
De politierechter bepaalt dat veroordeelde nog 80 uren taakstraf dient te verrichten, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien veroordeelde de taakstraf niet (volledig) verricht. De politierechter bepaalt de termijn waarbinnen veroordeelde deze taakstraf dient te hebben verricht op 9 maanden na heden.
De beslissing
De politierechter:
- verklaart het bezwaarschrift gegrond;
- bepaalt dat veroordeelde 80 uren taakstrafmoet verrichten binnen 9 maandenna heden, met bevel, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. C.A.M. van Straalen, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.H.W. Boelhouwers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2024.