Uitspraak
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.De beoordeling
398,00(2 punten x tarief € 199,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een huurgeschil waarbij eiser een woning verhuurde aan A, die de woning onderverhuurde aan een cliënt van haar onderneming. Na het faillissement van het bedrijf dat de onderhuurovereenkomst sloot met gedaagde en het overlijden van A, ontstond onduidelijkheid over de rechtspositie van gedaagde.
De kantonrechter oordeelt dat de hoofdhuurovereenkomst tussen eiser en A op grond van artikel 7:268 lid 6 BW Pro is geëindigd door het overlijden van A. Omdat gedaagde via het failliete bedrijf een onderhuurovereenkomst had, wordt zij als onderhuurder aangemerkt. De huurovereenkomst met gedaagde wordt voortgezet onder de voorwaarden die met het failliete bedrijf waren overeengekomen.
Echter, de huidige huurprijs die gedaagde betaalt is aanzienlijk lager dan de oorspronkelijke huurprijs, wat leidt tot een negatief exploitatieresultaat voor eiser. Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van een huisvestingsvergunning, acht de kantonrechter het redelijk dat eiser de huurovereenkomst met gedaagde niet voortzet en bepaalt dat de huurovereenkomst eindigt per 1 juli 2024.
Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, met dien verstande dat zij niet eerder hoeft te vertrekken dan 1 juli 2024. Tevens wordt zij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigt per 1 juli 2024 en gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.