Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding tussen het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) en een asielzoeker met Iraanse nationaliteit die rechtmatig in Nederland verblijft. Het COA had de asielzoeker per 2 april 2024 overgeplaatst naar een tijdelijke opvanglocatie (HAR-locatie) in de gemeente Stichtse Vecht, welke hij weigerde te betrekken. Hierdoor eindigde zijn recht op opvang per 9 april 2024 volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005.
De asielzoeker bleef echter in het AZC verblijven zonder recht of titel, waarop het COA een vordering tot ontruiming instelde. De asielzoeker voerde formeel verweer dat het besluit nog niet onherroepelijk was vanwege een lopend beroep bij de Raad van State, en inhoudelijk dat zijn kwetsbare situatie en het voorkomen van dakloosheid zwaarder zouden moeten wegen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep bij de Raad van State de werking van het COA-besluit niet schorst en dat het recht op opvang rechtsgeldig was beëindigd. Er was sprake van een spoedeisend belang vanwege de druk op opvangcapaciteit. De vordering tot ontruiming werd daarom toegewezen en de asielzoeker werd veroordeeld de ruimte binnen drie dagen te ontruimen. Tevens werd hij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de asielzoeker tot ontruiming van het AZC binnen drie dagen wegens beëindiging van zijn recht op opvang na weigering van tijdelijke huisvesting.