ECLI:NL:RBMNE:2024:5750

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
UTR 24/3716
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tijdige beslissing WIA-herbeoordeling

Verzoekster diende op 22 mei 2024 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat zij van mening was dat UWV niet tijdig had beslist op haar aanvraag van 14 februari 2024 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Op 17 juni 2024 nam UWV alsnog een besluit op haar aanvraag, waarna verzoekster haar beroep introk en een vergoeding van proceskosten vorderde. De rechtbank heeft UWV verzocht te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar UWV heeft niet gereageerd.

De rechtbank oordeelt dat UWV door het alsnog nemen van het besluit tegemoet is gekomen aan verzoekster, waardoor toewijzing van proceskosten passend is. De proceskosten worden vastgesteld op € 218,75, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte aard van het geschil. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat UWV verplicht is het griffierecht van € 371,- te vergoeden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om zich tot UWV te wenden voor vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3716

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 22 mei 2024 omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 14 februari 2024 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Verweerder heeft op 17 juni 2024 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling van de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.