Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:5773

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
16/171884-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511c SvArt. 36e SrArt. 6:4:18 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in vordering tot ontneming wederrechtelijk voordeel

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 9 oktober 2024 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de veroordeelde. Voorafgaand aan de terechtzitting was een schikking overeengekomen tussen partijen, vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst op 22 juli 2024, waarbij de schikking alleen in werking treedt indien de rechtbank in de hoofdzaak conform de procesafspraken een einduitspraak doet.

De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde conform de procesafspraken was veroordeeld, waardoor de opschortende voorwaarde voor de schikking was vervuld. Echter was nog niet aan de voorwaarden van de schikking voldaan, waardoor de ontnemingszaak niet van rechtswege kon eindigen. De rechtbank overwoog dat hoewel partijen met de schikking beoogden een inhoudelijke beslissing op de vordering te voorkomen, de wet niet voorziet in het automatisch beëindigen van de ontnemingszaak voordat aan de schikkingstermijnen is voldaan.

Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van I.L. Gerrits en de rechters R.A. Hebly en J.A. Koorevaar, en uitgesproken op 9 oktober 2024.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/171884-23 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 oktober 2024 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren op [2003] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De officier van justitie heeft bij vordering van 20 augustus 2024 ontneming van het wederrechtelijk voordeel gevorderd.
De vordering is behandeld op de terechtzitting van 25 september 2024. Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting is door veroordeelde en het Openbaar Ministerie een schikking getroffen als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze schikking is op 22 juli 2024 schriftelijk vastgelegd en als bijlage gevoegd bij de door de verdediging en het Openbaar Ministerie schriftelijk vastgestelde procesafspraken van 22 juli 2024. Uit deze schriftelijke overeenkomst volgt dat de schikking alleen ingaat wanneer de rechtbank in de hoofdzaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten procesafspraken einduitspraak zal wijzen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. A. Altena en van hetgeen veroordeelde en mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2.BEOORDELING VAN DE VORDERING

De rechtbank heeft op 9 oktober 2024 veroordeelde conform de door hem en het Openbaar Ministerie overeengekomen procesafspraken veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat de opschortende voorwaarde daarmee is vervuld en dat een schikking tot stand is gekomen in de zin van artikel 511c Sv.
Uit artikel 6:4:18 lid 1 Sv Pro volgt dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd indien aan de termen van de schikking is voldaan. De rechtbank stelt vast dat aan de termen van de schikking nog niet is voldaan. Dit betekent dat de rechtbank, gelet op het systeem van de wet, gehouden is een beslissing te nemen op de vordering. De rechtbank overweegt dat partijen met het overeenkomen van de schikking hebben beoogd dat de rechtbank geen inhoudelijke beslissing neemt op de vordering. Uit de schriftelijke schikkingsovereenkomst volgt immers dat het Openbaar Ministerie de schikking heeft aangeboden teneinde daarmee een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht te voorkomen. De rechtbank acht het echter onwenselijk dat de ontnemingszaak eindigt voordat aan de termen van schikking is voldaan. Bovendien volgt uit de wet niet dat de rechter de mogelijkheid heeft om een zaak van rechtswege geëindigd te verklaren. De rechtbank zal daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

3.BESLISSING

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. R.A. Hebly en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2024.
Mrs. Hebly en Nahumury zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.