Veroordeelde was op grond van een vonnis uit 2018 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met vervangende hechtenis van 40 dagen bij niet-naleving. Reclassering meldde in mei 2024 dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren had uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie nam op 3 juni 2024 een omzettingsbeslissing tot vervangende hechtenis, die echter niet was ondertekend door een officier van justitie. Deze beslissing werd op 12 juli 2024 aan veroordeelde betekend, waarna hij op 15 juli 2024 bezwaar maakte.
De politierechter behandelde het bezwaar op 10 oktober 2024. De officier van justitie erkende dat de omzettingsbeslissing niet was ondertekend, maar wilde deze toch als rechtsgeldig beschouwen. Wel werd erkend dat de beslissing te laat was genomen. De politierechter oordeelde dat de omzettingsbeslissing niet rechtsgeldig was vanwege het ontbreken van de ondertekening door een bevoegde officier van justitie, wat essentieel is vanwege de ingrijpende aard van vrijheidsbeneming.
Hoewel het bezwaar ook op tijdigheid was gebaseerd, werd dit niet gevolgd als reden voor nihilstelling van de resterende taakstrafuren. De politierechter stelde dat veroordeelde nog 52 uren taakstraf moet verrichten binnen 9 maanden, met een vervangende hechtenis van 26 dagen als sanctie bij niet-naleving. Het bezwaar werd ambtshalve gegrond verklaard vanwege de ongeldige omzettingsbeslissing, waardoor vervangende hechtenis niet wordt toegepast.