In deze civiele procedure vordert de curator van de faillissementsboedel van een besloten vennootschap terugbetaling van bedragen die door gedaagde en diens Zwitserse vennootschap zijn ontvangen. De curator moest bewijzen dat de gedaagde als bestuurder van de Zwitserse vennootschap een samenwerkingsovereenkomst had ondertekend, waarmee de Zwitserse vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de curator niet is geslaagd in deze bewijsopdracht. De curator heeft geen handschriftdeskundige ingeschakeld en de overgelegde stukken, waaronder een verklaring van de dochter van gedaagde en andere overeenkomsten, bieden onvoldoende bewijs dat de handtekening op de samenwerkingsovereenkomst authentiek is. Hierdoor wordt de Zwitserse vennootschap niet aansprakelijk gehouden voor het bedrag van € 79.365.
Wel wordt gedaagde hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van € 120.635 en € 79.365, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede tot betaling van beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een veroordeling tot betaling van wettelijke rente en bijkomende kosten bij niet-tijdige betaling.