ECLI:NL:RBMNE:2024:5902

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
C/16/568261 / HA ZA 24-18
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 159 lid 2 RvArt. 706 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator faillisementsboedel vordert terugbetaling en beslagkosten van gedaagde en Zwitserse vennootschap

In deze civiele procedure vordert de curator van de faillissementsboedel van een besloten vennootschap terugbetaling van bedragen die door gedaagde en diens Zwitserse vennootschap zijn ontvangen. De curator moest bewijzen dat de gedaagde als bestuurder van de Zwitserse vennootschap een samenwerkingsovereenkomst had ondertekend, waarmee de Zwitserse vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat de curator niet is geslaagd in deze bewijsopdracht. De curator heeft geen handschriftdeskundige ingeschakeld en de overgelegde stukken, waaronder een verklaring van de dochter van gedaagde en andere overeenkomsten, bieden onvoldoende bewijs dat de handtekening op de samenwerkingsovereenkomst authentiek is. Hierdoor wordt de Zwitserse vennootschap niet aansprakelijk gehouden voor het bedrag van € 79.365.

Wel wordt gedaagde hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van € 120.635 en € 79.365, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede tot betaling van beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een veroordeling tot betaling van wettelijke rente en bijkomende kosten bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: Gedaagde en medegedaagde worden veroordeeld tot terugbetaling van bedragen, betaling van beslag- en proceskosten, terwijl de Zwitserse vennootschap niet aansprakelijk wordt gehouden wegens onvoldoende bewijs ondertekening.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/568261 / HA ZA 24-18
Vonnis van 23 oktober 2024
in de zaak van
mr. RALF VAN DER PASin zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap
[onderneming 1] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. N.H.A. Kampschreur te Eindhoven,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. de vennootschap naar Zwitsers recht
[gedaagde sub 2] GMBH,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Zwitserland),
gedaagden,
advocaat mr. J.J.M. Cliteur te Rosmalen.
Eiser wordt hierna de curator genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd. Gezamenlijk worden zij aangeduid als [gedaagde sub 1] c.s.

1.De procedure

1.1.
In deze zaak is op 17 juli 2024 een tussenvonnis gewezen. Daarin heeft de rechtbank een bewijsopdracht aan de curator gegeven. De curator is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat [gedaagde sub 1] , als bestuurder van [gedaagde sub 2] , de samenwerkingsovereenkomst met [A] en [onderneming 1] heeft ondertekend.
1.2.
De curator heeft na het tussenvonnis een akte genomen over de bewijsopdracht. Hij wil het bewijs leveren door nieuwe schriftelijke stukken. Het gaat om een schriftelijke verklaring van mevrouw [B] , de oudste dochter van [gedaagde sub 1] , en om meerdere overeenkomsten die [gedaagde sub 1] heeft ondertekend. De curator heeft deze stukken als producties bij de akte overgelegd. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een antwoordakte genomen.
1.3.
Daarna is bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de curator niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Dat betekent dat [gedaagde sub 2] niet hoofdelijk aansprakelijk is voor terugbetaling van € 79.365,-. De rechtbank zal de overige vorderingen toewijzen zoals in het tussenvonnis van 17 juli 2024 al is beslist. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissing is gekomen.
[gedaagde sub 2] is niet aansprakelijk voor de terugbetaling van € 79.365,-
2.2.
De curator heeft gevorderd dat [gedaagde sub 2] ook voor dit bedrag hoofdelijk wordt veroordeeld tot terugbetaling aan de faillissementsboedel van [onderneming 1] . In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde sub 2] hiervoor hoofdelijk kan worden veroordeeld als vast komt te staan dat [gedaagde sub 1] , als bestuurder van [gedaagde sub 2] , de samenwerkingsovereenkomst met [onderneming 1] en [A] heeft ondertekend. Dit is het enige schriftelijke stuk waarin staat dat [gedaagde sub 2] hoofdelijk verbonden is voor de terugbetaling van het bedrag van € 200.000,- aan [onderneming 1] .
2.3.
[gedaagde sub 1] c.s. heeft het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst gemotiveerd betwist. [gedaagde sub 1] stelt dat zijn handtekening is vervalst. De bewijslast dat de handtekening onder de samenwerkingsovereenkomst daadwerkelijk door [gedaagde sub 1] is gezet, rust op de curator. De curator is er niet in geslaagd om dat te bewijzen. Daarom komt er op grond van artikel 159 lid 2 Rv Pro geen bewijskracht toe aan de samenwerkingsovereenkomst.
2.4.
De rechtbank heeft de curator in het tussenvonnis in overweging gegeven om een handschriftdeskundige in te schakelen om te laten onderzoeken of de handtekening onder de samenwerkingsovereenkomst door [gedaagde sub 1] is geplaatst. De curator heeft dat om proceseconomische redenen niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij verschillende overeenkomsten overgelegd waarvan hij stelt dat die door [gedaagde sub 1] zijn ondertekend. Het is de curator opgevallen dat [gedaagde sub 1] gebruik maakt van verschillende handtekeningen, maar dat die handtekeningen wel gelijkenis vertonen met de handtekening van [gedaagde sub 1] onder de samenwerkingsovereenkomst. De curator meent dat daardoor moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] zelf zijn handtekening onder de samenwerkingsovereenkomst heeft gezet. [gedaagde sub 1] blijft bij zijn betwisting dat hij de samenwerkingsovereenkomst niet heeft ondertekend en dat de overeenkomsten waar de curator op wijst, daar geen bewijs voor vormen. Ook herhaalt [gedaagde sub 1] dat er geen enkele correspondentie of andere schriftelijke stukken voorhanden zijn, waaruit blijkt dát en hoe hij namens [gedaagde sub 2] tot ondertekening (en aanvaarding) van de samenwerkingsovereenkomst is gekomen.
2.5.
De rechtbank oordeelt dat de curator niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. De rechtbank (noch de curator) kan, ook aan de hand van een vergelijking met andere handtekeningen van [gedaagde sub 1] , niet beoordelen of de handtekening onder de samenwerkingsovereenkomst door [gedaagde sub 1] is gezet of dat deze is vervalst. Dat is voorbehouden aan een handschriftdeskundige. Ook al vertonen de verschillende handtekeningen gelijkenissen, daarmee is nog niet uitgesloten dat de handtekening van [gedaagde sub 1] onder de samenwerkingsovereenkomst is vervalst.
2.6.
Ook de schriftelijke verklaring van de oudste dochter van [gedaagde sub 1] is onvoldoende om aan de bewijsopdracht te voldoen. De dochter verklaart dat [gedaagde sub 1] haar heeft verteld over een samenwerkingsovereenkomst met [A] voor een bedrijf in Zwitserland. Uit die verklaring blijkt nog niet dat [gedaagde sub 1] daadwerkelijk de samenwerkingsovereenkomst heeft ondertekend waarop de curator in deze procedure een beroep doet. Ook de verklaringen van de dochter over het karakter van [gedaagde sub 1] kunnen niet leiden tot het benodigde bewijs dat de curator moet leveren.
2.7.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis al overwogen dat de schriftelijke getuigenverklaringen van [A] , zijn zoon, een medewerker van [onderneming 1] en van de heer [C] ook onvoldoende zijn om te bewijzen dat [gedaagde sub 1] de samenwerkingsovereenkomst heeft ondertekend. Dat betekent dat de curator niet is geslaagd in de bewijsopdracht. Daardoor is [gedaagde sub 2] niet (hoofdelijk) aansprakelijk om
€ 79.365,- aan de faillissementsboedel terug te betalen. Alleen [gedaagde sub 1] is hiervoor aansprakelijk, zoals in het tussenvonnis al is beslist.
[gedaagde sub 1] c.s. moet hoofdelijk € 120.635,- terugbetalen
2.8.
In het tussenvonnis van 17 juli 2024 is al geoordeeld dat [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van het bedrag van € 120.635,- aan de faillissementsboedel van [onderneming 1] . Dit is het bedrag dat [onderneming 1] op de bankrekening van [gedaagde sub 2] heeft gestort. [gedaagde sub 2] zou dit bedrag aan [onderneming 2] overmaken, maar heeft dat niet gedaan. [gedaagde sub 2] heeft dit bedrag aan [gedaagde sub 1] in privé overgemaakt. Ook moet [gedaagde sub 1] c.s. hierover wettelijke rente betalen vanaf 23 november 2021 tot aan de dag van betaling.
[gedaagde sub 1] moet ook € 79.365,- terugbetalen
2.9.
Daarnaast is in het tussenvonnis van 17 juli 2024 geoordeeld dat [gedaagde sub 1] € 79.365,- met wettelijke rente vanaf 19 november 2021 moet terugbetalen aan de faillissementsboedel van [onderneming 1] . Dit is een deel van het bedrag dat [gedaagde sub 2] , nadat zij dat van [onderneming 1] had ontvangen, wel aan [onderneming 2] heeft overgemaakt. Dit bedrag heeft [gedaagde sub 1] vervolgens vanaf de bankrekening van [onderneming 2] naar zichzelf overgeboekt.
Beslagkosten
2.10.
De curator vordert daarnaast dat [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld in de kosten die hij heeft gemaakt om beslag te kunnen leggen op de goudstaven van [gedaagde sub 1] . Deze vordering is op grond van artikel 706 Rv Pro toewijsbaar, maar alleen [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. De curator heeft het verzoekschrift tot het leggen van beslag alleen gericht tegen [gedaagde sub 1] en niet tegen [gedaagde sub 2] . Bovendien zijn de goudstaven alleen eigendom van [gedaagde sub 1] .
2.11.
De curator zou de factuur van de deurwaarder nog in het geding brengen, maar dat is niet gebeurd. Daarom wijst de rechtbank de deurwaarderskosten toe zoals die blijken uit de beslagstukken die bij de dagvaarding zijn overgelegd. [gedaagde sub 1] c.s. zal worden veroordeeld om € 3.168,13 aan beslagkosten aan de curator te betalen. Dat bedrag bestaat uit € 314,- aan griffierecht, € 2.714,- aan kosten advocaat (1 punt x tarief VI) en € 140,13 aan explootkosten. [gedaagde sub 1] zal daarover ook rente moeten betalen op de wijze zoals in het dictum is vermeld.
Proceskosten
2.12.
[gedaagde sub 1] c.s. heeft in deze procedure overwegend ongelijk gekregen. Daarom moet hij hoofdelijk de kosten van de curator voor deze procedure (inclusief nakosten) betalen.
2.13.
De kosten aan de kant van de curator worden tot op vandaag begroot op:
- dagvaarding € 107,32
- griffierecht € 2.312,00
- salaris advocaat € 5.428,00 (2 punten x tarief VI)
- nakosten
€ 173,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.020,32
2.14.
De curator heeft ook de wettelijke rente over de proceskosten gevorderd. Deze rente wordt toegewezen op de wijze zoals in het dictum is vermeld.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om hoofdelijk een bedrag van € 120.635,- aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over dit bedrag vanaf 23 november 2021 tot aan de dag van betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om een bedrag van € 79.365,- aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over dit bedrag vanaf 23 november 2021 tot aan de dag van betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om de beslagkosten van € 3.168,13 aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, aan de kant van de curator tot op vandaag begroot op € 8.020,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2024. [1]

Voetnoten

1.type: 5427 (NLK)