In deze strafzaak vorderde de officier van justitie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €170.948,64, gebaseerd op een berekening van de politie. Betrokkene werd echter vrijgesproken van het feit waarop deze berekening was gebaseerd. De verdediging voerde aan dat de vordering afgewezen moest worden vanwege de vrijspraak en betwijfelde de onderbouwing van het ontnemingsbedrag.
De rechtbank oordeelde dat vanwege de vrijspraak niet kan worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hierdoor is de grondslag voor de ontnemingsvordering komen te vervallen. De rechtbank wijst daarom de vordering van de officier van justitie af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 23 oktober 2024, na een terechtzitting op 9 oktober 2024. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, waarmee de procedure in deze zaak wordt beëindigd.