AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen en een machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk, namelijk bij de vader. De kinderen wonen sinds december 2023 bij de vader, omdat de moeder onvoldoende ruimte en stabiliteit biedt.
De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BWPro zijn vervuld en stelde de kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht. Tevens werd de machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor zes maanden op grond van artikel 1:265b BW, omdat dit noodzakelijk is voor hun verzorging en opvoeding.
De beslissing is mede gebaseerd op de wisselende houding van de moeder ten aanzien van hulpverlening, de onzekere woonsituatie van de moeder, en het ontbreken van voldoende zicht op de opvoedsituatie. De vader krijgt ondersteuning bij de opvoeding en de ouders worden aangespoord tot goede samenwerking en openheid. Er is tevens belang bij snel contact tussen moeder en kinderen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld via de griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De kinderrechter stelt de drie minderjarige kinderen onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor zes maanden.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/568184 / JL RK 24-4
Datum uitspraak: 18 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.G. Nagel te Almere,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 22 december 2023;
- de brief van de advocaat van de moeder met bijlagen van 16 januari 2024;
de brief van de Raad met bijlagen van 17 januari 2024;
het bericht van de Raad met bijlagen van 22 januari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door mr. D.G. Nagel;
de heer [A] namens de Raad;
de heer [B] namens de GI.
2.De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.
3.Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] binnen het netwerk, te weten bij de vader voor de duur van drie maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.De beoordeling
4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van zes maanden noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter acht bij deze beslissing het volgende van belang.
4.2.
De kinderrechter begrijpt de zorgen van de Raad en is van oordeel dat er zicht moet komen op de kinderen via een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het vrijwillig kader is, gezien de wisselende houding van de moeder tegenover de inzet van hulpverlening, ontoereikend. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing acht de kinderrechter noodzakelijk, omdat er de afgelopen periode veel onzekerheid is geweest over de woonsituatie van de moeder. De moeder heeft momenteel een plek om te verblijven, maar daar is onvoldoende ruimte voor de kinderen. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment daarom niet bij de moeder kunnen wonen. De ouders hebben er daarom samen voor gekozen dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] sinds december 2023 bij de vader wonen in plaats van bij de moeder. Dit gaat goed. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader is noodzakelijk om te verzekeren dat de kinderen voorlopig bij de vader kunnen blijven. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de vader de komende periode ondersteuning krijgt bij de opvoeding van de kinderen. Het is voor hem wennen om ineens drie kinderen in huis te hebben. Daarnaast is het van belang dat de ouders goed met elkaar en met de hulpverlening blijven samenwerken en dat zij openheid van zaken geven. Ook vindt de kinderrechter het van groot belang dat er snel weer contact is tussen moeder en de kinderen en niet alleen via videobellen. Zowel de vader als de moeder hebben ter zitting ingestemd met de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
4.3.
De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is:
de zorgen van de Raad omtrent de basale verzorging van de kinderen, omtrent de huisvesting van de moeder, omtrent de (voldoende) beschikbaarheid van een opvoeder/verzorger en omtrent het uitblijven van noodzakelijke medische zorg en;
het gebrek aan zicht op de opvoedsituatie.
5.De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 18 januari 2024 tot 18 januari 2025;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] binnen het netwerk, te weten bij de vader met ingang van 18 januari 2024 tot 18 juli 2024;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2024 door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Pel als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.