De zaak betreft verzoeken van verzoeker om vergoeding van proceskosten na intrekking van zijn beroepen tegen naheffingsaanslagen parkeerbelastingen. Verweerder had op 27 oktober 2023 beslissingen op bezwaar genomen, waarna verzoeker in beroep ging. Op 7 mei 2024 trok verweerder de besluiten in, waarna verzoeker zijn beroepen introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank overweegt dat alleen kosten die onder het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vallen voor vergoeding in aanmerking komen. Verzoeker had € 930,- aan verletkosten opgegeven, gebaseerd op zijn eigen uurtarief en tijdsinvestering. Verweerder wees de verzoeken af omdat deze kosten niet vergoedbaar zijn volgens het Bpb.
De rechtbank oordeelt dat de voorbereidingshandelingen zoals het indienen van beroepschriften, betalen van griffierecht en telefonische navraag niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom wijst de rechtbank de verzoeken af. Wel moet verweerder eenmaal het griffierecht van € 50,- aan verzoeker betalen, wat rechtstreeks uit de wet volgt.