Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:6085

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
1 november 2024
Zaaknummer
23/4259
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 1:431 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bestuurlijke boete wegens niet juiste bekendmaking aan bewindvoerder

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde eiser op 6 maart 2023 een bestuurlijke boete en last onder dwangsom op. Eiser, die sinds 2009 onder bewind staat vanwege zijn geestelijke en lichamelijke toestand, maakte bezwaar tegen dit besluit. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaarde, maar op onjuiste gronden. Het college had het besluit aan de bewindvoerder moeten sturen omdat het besluit de vermogensrechtelijke belangen van eiser raakt. Omdat het besluit alleen aan eiser is verzonden, is het niet op de juiste wijze kenbaar gemaakt en daardoor niet in werking getreden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2023, bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven, en veroordeelt het college tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is mondeling gedaan op 23 oktober 2024.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het besluit niet aan de bewindvoerder is bekendgemaakt, waardoor het niet in werking is getreden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4259
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. van Veen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college

(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).

Inleiding

1. Het college heeft bij besluit van 6 maart 2023 eiser een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar bij besluit van 12 juli 2023 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn is ontvangen en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit van 6 maart 2023 gebleven. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Eiser was niet aanwezig.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2023;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1750,-.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De rechtbank is van oordeel dat het college met de beslissing op bezwaar het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar op onjuiste gronden. De rechtbank legt dat hieronder uit.
4. Eiser staat sinds 2009 onder bewind, omdat hij door zijn geestelijke en lichamelijke toestand niet in staat is om zelfstandig zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen volgens artikel 1:431 BW Pro. Het college heeft ter zitting aangegeven op de hoogte te zijn van het bewind, maar vindt dat het besluit niet aan de bewindvoerder hoefde te worden gestuurd, omdat eiser er niet door in zijn vermogensrechtelijke belangen wordt geraakt. Dat is pas zo bij een eventuele invordering.
5. De rechtbank volgt verweerder niet en is met eiser van oordeel dat het eerste besluit daarom niet op de juiste wijze bekend gemaakt is en daardoor ook niet in werking is getreden ingevolge de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college was namelijk op de hoogte van het bewind, daarom had het besluit naar de bewindvoerder gestuurd moeten worden. De boete raakt in ieder geval de vermogensrechtelijke belangen van eiser. Voor die vermogensrechtelijke belangen is hij ook onder bewind gesteld. De boete kan namelijk nog gematigd worden of er kan nog van afgezien worden. De last onder dwangsom maakt in ieder geval onderdeel uit van het hetzelfde besluit, los van de vraag of de last onder dwangsom ook de vermogensrechtelijke belangen raakt. Omdat de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete zijn opgenomen in één besluit, had het gehele besluit aan de bewindvoerder toegezonden moeten worden. Omdat het college het besluit alleen aan eiser heeft verzonden, is het besluit in zijn geheel niet op de juiste wijze kenbaar gemaakt. Daardoor is het gehele besluit ook niet in werking getreden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2023 en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven, omdat het bezwaar wel terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerder hoeft dus niet opnieuw te beslissen op het bezwaar. De proceskostenvergoeding is toegekend en de griffierechten worden vergoed.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024 door mr. M.I van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S Dorsman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.