ECLI:NL:RBMNE:2024:6092

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
4 november 2024
Zaaknummer
UTR 24/3443
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 39i Wjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen inzage persoonsgegevens niet-ontvankelijk wegens te vroeg ingediend

Eiser heeft een verzoek om inzage in persoonsgegevens ingediend bij het ressortsparket Amsterdam op 8 maart 2024. Omdat het College van procureurs-generaal niet binnen de wettelijke termijn van zes weken had beslist, stelde eiser het College op 8 april 2024 en opnieuw op 3 mei 2024 in gebreke.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op 19 april 2024 is verstreken, omdat het verzoek was doorgestuurd naar een ander ressortsparket zonder dat eiser hierover schriftelijk was geïnformeerd, waardoor geen sprake was van een wettelijke verdaging. De ingebrekestelling van 3 mei 2024 was daarmee tijdig.

Echter, het beroep tegen het niet tijdig beslissen is op dezelfde dag als de tweede ingebrekestelling ingediend, terwijl volgens artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht eerst twee weken na de ingebrekestelling moeten verstrijken voordat beroep kan worden ingesteld. Hierdoor is het beroep te vroeg ingediend en verklaart de rechtbank het niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en het verzoek om griffierechtvrijstelling wordt toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het te vroeg is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3443

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het College van procureurs-generaal, het College(gemachtigde: mr. M. Ketting).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het College volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag om inzage in persoonsgegevens van 8 maart 2024 die hij bij het ressortsparket Amsterdam heeft ingediend.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij dit niet kan betalen. De rechtbank wijst het verzoek toe.
Is het beroep ontvankelijk?
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
3. Als de betrokkene te vroeg in beroep gaat, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval gaat het om een verzoek als bedoeld in artikel 39i, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), waarop het college op grond van artikel 39i, tweede lid, van de Wjsg binnen zes weken moet beslissen, tenzij de beslissing wordt verdaagd omdat er ook bij andere parketten informatie aanwezig is en de verzoeker hierover schriftelijk wordt geïnformeerd.
Ingebrekestelling tijdig?
4. Het College stelt dat eiser hem in het geheel niet in gebreke heeft gesteld en dat de beslistermijn op grond van het verzoek ex artikel 39i, tweede lid, van de Wsjg nog niet was verstreken ten tijde van het indienen van dit beroep niet tijdig beslissen op 3 mei 2024.
5. Eiser heeft bij e-mail van 17 juni 2024 de rechtbank geïnformeerd het met bovenstaande niet eens te zijn. Hij heeft de rechtbank nogmaals beide door hem verstuurde ingebrekestellingen verstuurd.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser het ressortparket Amsterdam – in eerste instantie op 8 april 2024 – in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft een e-mail gestuurd en daar is ook op gereageerd. Op dat moment was de beslistermijn echter nog niet verstreken. Nadien heeft eiser het ressortsparket nogmaals op 3 mei 2024 in gebreke gesteld. Het e-mailbericht heeft hij naar hetzelfde e-mailadres verstuurd, zodat de rechtbank aanneemt dat ook dit bericht is ontvangen. De vraag die daarom vervolgens beantwoord moet worden is of op dat moment de beslistermijn was verstreken.
7. De rechtbank stelt vast dat het ressortsparket Amsterdam blijkens de brief van 22 mei 2024 eisers inzage verzoek heeft doorgestuurd naar het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden maar dat hiervan geen schriftelijke verdagingsbeslissing naar eiser is gestuurd. Van een wettelijke verdaging is daarom geen sprake. Als gevolg hiervan verliep de beslistermijn van eisers inzageverzoek op 19 april 2024. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers ingebrekestelling van 3 mei 2024 tijdig is ingediend. De vraag die vervolgens voorligt is of het beroep tijdig is ingediend.
Beroep niet tijdig beslissen op het juiste moment ingediend?
8. Aangezien ook het beroep op 3 mei 2024 bij de rechtbank is ingediend, heeft eiser niet de op grond van artikel 6:12 van Pro de Awb vereiste twee weken na het indienen van de ingebrekestelling afgewacht. Het beroep is te vroeg ingediend en is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.