In deze zaak staat een executiegeschil centraal over een vonnis van de kantonrechter Rotterdam waarin [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn veroordeeld tot naleving van de cao Beroepsgoederenvervoer en betaling van loonachterstanden en schadevergoedingen aan FNV. De voorzieningenrechter beoordeelt de vorderingen van [eiseres 1] en [eiseres 2] om de tenuitvoerlegging van dit vonnis te schorsen en dwangsommen te matigen of op te heffen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard zonder motivatie, waardoor afwijking mogelijk is bij zwaarwegende belangen. Hoewel [eiseres 1] en [eiseres 2] stellen dat het vonnis berust op een kennelijke misslag, wordt dit verworpen omdat zij tijdens de eerdere procedure geen verweer voerden over de toepasselijkheid van de cao op [eiseres 2].
De belangenafweging leidt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordelingen tot naleving van de cao en loonbetalingen (artikelen 3.3 tot en met 3.6), vanwege het dreigende faillissement en onduidelijkheid over de hoogte van de nabetalingen. De tenuitvoerlegging van de veroordelingen tot betaling van schadevergoeding en proceskosten (3.7 tot en met 3.9) wordt niet geschorst. De dwangsommen worden niet opgeheven of gematigd, omdat alleen de oorspronkelijke rechter daartoe bevoegd is. De proceskosten worden gecompenseerd.