Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
[vergunninghouder 1]en
[vergunninghouder 2]uit [plaats] (vergunninghouder).
de Staat der Nederlanden(de staatssecretaris voor Rechtsbescherming).
Inleiding
25 juni 2024 verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. De vergunninghouder heeft geen schriftelijke reactie ingediend.
Overwegingen
27 september 1999 bezwaar gemaakt tegen de bouwvergunning van 29 april 1999 en heeft dit bezwaar vervolgens op 3 november 1999 ingetrokken. Met het intrekken van het bezwaar op 3 november 1999, is de verleende bouwvergunning onherroepelijk geworden.
€ 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de gemeente Utrecht tot het betalen van een bedrag van € 700,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een bedrag van € 800,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 102,10;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,65.
mr.J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
31 oktober 2024.