Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser,
Inleiding
Feiten
Geschil
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van € 791.000,- voor een winkelpand in Utrecht met een oppervlakte van 612 m², gebouwd in 2013. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar en onderbouwde deze met een taxatiematrix gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De gehanteerde huurwaarde van € 78.336,- per jaar en de kapitalisatiefactor van 10,1 zijn onderbouwd met vergelijkbare referentieobjecten. De bezwaren van eiser, waaronder het leegstandsrisico en de bruikbaarheid van referenties, worden verworpen.
Verder wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de overschrijding aan het procederen van de gemachtigde van eiser kan worden toegerekend en de termijn met een jaar is verlengd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.