ECLI:NL:RBMNE:2024:6237
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van Opiumwet
De burgemeester heeft op 8 augustus 2024 besloten de huurwoning van verzoeker te sluiten voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker verbleef tijdens de sluiting in voorlopige hechtenis, welke op 23 oktober 2024 werd geschorst. Op 4 november 2024 diende zijn gemachtigde een verzoek om voorlopige voorziening in om de sluiting te schorsen.
Verzoeker stelde dat hij geen onderdak had en dat sluiting van de woning hem op straat zou zetten, mede gezien zijn persoonlijke en medische omstandigheden. De voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker na schorsing van de hechtenis nog 12 dagen wachtte met het indienen van het verzoek en kennelijk elders onderdak had. De woning zou op 13 november 2024 weer worden geopend.
De griffier verzocht de gemachtigde om nadere onderbouwing van het spoedeisend belang en verblijfplaats, maar deze reageerde niet. De voorzieningenrechter oordeelde dat zonder nadere informatie geen spoedeisend belang kon worden vastgesteld en dat het verzoek daarom ongegrond was. Er waren geen evidente fouten in het besluit van de burgemeester.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen zonder zitting, en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.