Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een plaats, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €462.000 per 1 januari 2021. Eiser stelt dat de waarde te hoog is en pleit voor een lagere waarde van €421.000, mede vanwege het gebruik van de woning voor kamerverhuur en verschillen met referentiewoningen.
De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met vier vergelijkbare woningen in dezelfde plaats, waarbij rekening is gehouden met verschillen in objectonderdelen. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de prijs per m² van de woning het laagst is ten opzichte van de referentiewoningen.
Eiser heeft veel algemene en onvoldoende onderbouwde stellingen ingebracht, die de rechtbank niet bespreekt. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn toelichting en wijst het beroep ongegrond. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de overschrijding aan de handelswijze van de gemachtigde van eiser kan worden toegerekend.
De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 5 november 2024 en is uitgesproken in het openbaar. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.