Eiser heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarden van vijf niet-woningen, kantoorvilla’s in het centrum van een plaats, vastgesteld door de heffingsambtenaar voor het belastingjaar 2022. De heffingsambtenaar gebruikte de huurwaardekapitalisatiemethode (HWK) en onderbouwde de waarderingen met een taxatiematrix en referentiehuurtransacties.
De rechtbank weegt de argumenten van eiser, die onder meer stelde dat de referentieobjecten niet vergelijkbaar zijn en dat waarderingen zonder verklaring zijn aangepast. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. De door eiser ingebrachte stellingen zijn grotendeels algemeen en onvoldoende onderbouwd, terwijl de taxatiematrix en toelichting overtuigend zijn.
Verder verwerpt de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar duurde, acht de rechtbank een verlengde termijn van drie jaar redelijk vanwege de handelswijze van de gemachtigde van eiser, die meerdere procedures tegelijk voert zonder personeel.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt eiser niet in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 5 november 2024.