Partijen, gezamenlijk aandeelhouders en ondernemers in verschillende vennootschappen, sloten een vaststellingsovereenkomst over de beëindiging van hun samenwerking. Centraal staat de uitleg van artikel 6.6, waarin is bepaald dat bij faillissement binnen een jaar na de closingdatum 50% van de opbrengst van de verkoop van de inventaris aan eiser toekomt, onder aftrek van de koopprijs en gemaakte kosten.
Na het faillissement van een van de vennootschappen binnen die termijn ontstond onenigheid over de uitleg van deze bepaling. Eiser stelt dat de bepaling ziet op het faillissement, ongeacht wanneer de inventaris is verkocht, terwijl gedaagde meent dat de verkoop binnen dat jaar moet plaatsvinden en dat het faillissement een vooropgezet plan zou zijn.
De rechtbank volgt de uitleg van eiser en oordeelt dat gedaagde inzage moet geven in de verkoopdocumenten en specificaties van kosten en investeringen om de afrekening te kunnen maken. Tevens worden de door partijen gevorderde contractuele boetes gematigd tot nihil wegens het ontbreken van schade en de buitensporigheid van de boetes.
De zaak wordt aangehouden voor het overleggen van de gevraagde stukken, waarna verdere beslissing volgt. Het beslag van eiser blijft gehandhaafd zolang de afrekening loopt.