ECLI:NL:RBMNE:2024:6423
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek transitievergoeding na ontslag op staande voet wegens overschrijding vervaltermijn
De werknemer is op 26 maart 2024 op staande voet ontslagen door de werkgever. De werknemer diende zijn verzoek tot transitievergoeding pas op 2 september 2024 in, terwijl dit uiterlijk op 26 juni 2024 had moeten gebeuren volgens artikel 7:686a lid 4 onder b BW.
De werkgever heeft een beroep gedaan op het vervalbeding, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De werknemer stelde dat dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, mede gezien zijn psychische klachten en opname in een organisatie.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep op het vervalbeding niet onaanvaardbaar was. De situatie van de werknemer, die tijdens zijn opname zijn zaken kon regelen met hulp van een FNV-medewerker, verschilde niet wezenlijk van andere werknemers. Daarom werd de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot transitievergoeding.
De procedurekosten werden tussen partijen verdeeld, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De mondelinge uitspraak werd gedaan door de kantonrechter in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om transitievergoeding wegens overschrijding van de vervaltermijn.