Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
[bewindvoerder], in hoedanigheid van bewindvoerder
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen om de huishoudelijke hulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) pas vanaf 1 september 2022 toe te kennen, terwijl hij dit vanaf 1 februari 2022 wenste. Het college had eerder de pgb-voorziening omgezet naar zorg in natura (ZIN) en stelde dat de huishoudelijke hulp in de periode daarvoor als mantelzorg was verleend.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke situatie en omstandigheden van eiser, waaronder het ontbreken van een huisbezoek en keukentafelgesprek. Het college baseerde het plan van aanpak enkel op dossieronderzoek en een telefoongesprek met de vader van eiser, zonder rekening te houden met de werktijden van eiser en de onmogelijkheid voor een schoonmaakbedrijf om de hulp te verlenen.
De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn vader een zorgovereenkomst hebben gesloten en dat de vader daadwerkelijk huishoudelijke hulp verleende, waarvoor facturen zijn ingediend. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hulp mantelzorg was of dat er sprake was van een passende omzetting naar ZIN.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het pgb vanaf 1 september 2022 werd toegekend. De rechtbank bepaalt dat het pgb met ingang van 1 februari 2022 wordt verstrekt, en dat het college het griffierecht aan eiser vergoedt.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe en bepaalt dat eiser vanaf 1 februari 2022 recht heeft op een pgb voor huishoudelijke hulp.