ECLI:NL:RBMNE:2024:6537

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
583112 HA RK 24-191
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter ongegrond verklaard wegens gebrek aan partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een civiele hoofdzaak, stellende dat de rechter partijdig zou zijn vanwege het niet volledig verstrekken van het procesdossier en het uitstellen van een zitting. Tijdens de zitting gaf verzoeker aan dat zijn klachten vooral gericht waren tegen de werkwijze van de griffie, niet tegen de rechter zelf.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van artikel 36 Rv Pro, waarbij onpartijdigheid van de rechter centraal staat. De rechter had schriftelijk gereageerd en toegelicht dat de gronden van verzoeker betrekking hebben op de planningsfase en communicatie door de griffie, waar hij geen invloed op heeft. Procesbeslissingen zoals het uitstellen van een zitting zijn geen reden voor wraking tenzij er sprake is van objectieve vooringenomenheid, wat niet werd vastgesteld.

De wrakingskamer concludeerde dat de klachten niet gericht zijn tegen de rechter en dat de procesbeslissingen en werkwijze van de griffie geen aanleiding geven tot twijfel over de onpartijdigheid van de rechter. De wrakingskamer verklaarde het verzoek dan ook ongegrond en bepaalde dat de hoofdzaak in de stand van schorsing wordt voortgezet.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 583112 HA RK 24-191
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van26 november 2024
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 21 oktober 2024
“de rechter”gewraakt in de zaak met zaaknummer 11256152 MT VERZ 24-4417 en 11256185 MT VERZ 24-4418 (hierna: de hoofdzaak). De behandelend rechter van de hoofdzaak is mr. K.G. van de Streek (hierna: de rechter).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op de zitting van 12 november 2024 achter gesloten deuren behandeld door de wrakingskamer.
1.3.
Verzoeker is naar de zitting gekomen. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend en is niet op de zitting verschenen. Als toehoorders zijn verschenen de heer [A] en mevrouw [B] (als bewindvoerder en mentor van de oom van verzoeker betrokken in de hoofdzaak).
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Volgens verzoeker is de rechter partijdig. Dit blijkt volgens hem uit het feit dat hij – ook na meerdere verzoeken daartoe – niet het gehele procesdossier heeft ontvangen. Ook is verzoeker het er niet mee eens dat de zitting door de rechter is aangehouden omdat de mentor niet aanwezig kon zijn. Op de zitting heeft verzoeker uitgelegd dat het verwijt dat hij maakt niet zo zeer de rechter betreft, maar met name de griffie van de rechtbank. Het wrakingsverzoek ziet verzoeker als een noodkreet om zijn rechten te halen en zijn onvrede te uiten over de administratieve gang van zaken.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Allereerst merkt de rechter op dat de door verzoeker beschreven gronden zien op de planningsfase van de zaak, waar hij als rechter niet bij betrokken is. De planningsfase is in handen van de griffier en een griffier kan niet worden gewraakt. [1] Verzoeker heeft niet onderbouwd hoe de gemaakte verwijten hem als rechter betreffen en ze hebben ook geen betrekking op zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De rechter heeft voor de volledigheid nog bij de medewerkers van de griffie nagevraagd hoe het een en ander is verlopen. Zij erkennen dat er wat verwarring kan zijn ontstaan bij verzoeker door de manier van communiceren over de zitting en over het toezenden van stukken. Maar dit kan volgens de rechter niet tot een succesvol wrakingsverzoek leiden. Over het uitstellen van de zitting vermeldt de rechter nog dat hij zich kan voorstellen dat daartoe is besloten omdat een mondelinge behandeling in de hoofdzaak zonder de aanwezigheid van de mentor weinig zin heeft.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de gronden die verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag legt zich niet richten tegen de rechter. Zoals verzoeker op de zitting zelf heeft aangegeven richt zijn klacht zich met name tegen de (werkwijze van de) griffie. Dat wat verzoeker aanvoert kan daarom niet leiden tot het oordeel dat sprake is van (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter.
3.4.
Voor zover de gronden van verzoeker wél betrekking zouden hebben op de rechter of de handelwijze van de griffie aan hem toegerekend zou moeten worden, overweegt de wrakingskamer als volgt. De beslissing om de zitting uit te stellen is een procesbeslissing. Hetzelfde geldt voor het al dan niet verstrekken van stukken. Een procesbeslissing is alleen een reden voor wraking als uit die beslissing of uit de motivering daarvan objectief gezien blijkt dat de rechter vooringenomen is. De wrakingskamer moet daarbij kijken naar alle feiten en omstandigheden die tot de procesbeslissing hebben geleid. Dat verzoeker vindt dat die beslissing voor hem negatief is, is dus op zichzelf geen reden voor wraking. [2]
3.5.
In de motivering van de procesbeslissingen ziet de wrakingskamer geen aanleiding voor twijfel over de onpartijdigheid van de rechter. Dat het de werkwijze van de griffie is dat de stukken pas aan verzoeker worden toegestuurd nadat de oproeping voor de zitting is verzonden, vindt de wrakingskamer niet op voorhand onbegrijpelijk. Ook het uitstellen van de zitting op verzoek van de mentor van de oom van verzoeker is dat naar het oordeel van de wrakingskamer niet.
3.6.
Ten overvloede merkt de wrakingskamer nog op dat de rechter in zijn reactie heeft aangegeven dat hij begrijpt dat er het een en ander is misgegaan in de communicatie met verzoeker en dat hij dit onder de aandacht heeft gebracht van de leidinggevende van de griffie van de afdeling Toezicht.
3.7.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek ongegrond is.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het wrakingsverzoek ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummers 11256152 MT VERZ 24-4417 en 11256185 MT VERZ 24-4418 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. L.C. Michon en
mr. I.L. Gerrits als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.De rechter verwijst in dit kader naar ECLI:NL:HR:2020:1861.