Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
[dochter 1]en
[dochter 2]uit [plaats 2] ,
[dochter 3]uit [plaats 3] (de dochters) en
[de moeder]uit [plaats 2] (de moeder).
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 2 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak waarin eiser beroep instelde tegen de besluiten van de minister voor Rechtsbescherming die de verzoeken van zijn drie meerderjarige dochters tot geslachtsnaamwijziging naar de naam van hun moeder hadden toegewezen.
Eiser stelde dat de dochters niet uit vrije wil en zelfstandig hadden gehandeld, maar onder invloed stonden van hun moeder, en dat er sprake was van ouderverstoting (PAS-syndroom). Hij voerde aan dat de minister dit niet had onderkend en dat de besluiten in strijd waren met artikel 24 van Pro het IVRK. De dochters hadden echter aangegeven dat zij hun verzoeken op eigen ervaringen met hun vader baseerden en dat zij hun wens om de naam van hun moeder te dragen bevestigd hadden op de zitting.
De rechtbank stelde vast dat de dochters meerderjarig waren en dat hun verzoeken voldeden aan de wettelijke voorwaarden. De overgelegde stukken van eiser bevatten geen concrete aanwijzingen dat de verzoeken niet uit vrije wil waren gedaan. Het beroep op het IVRK faalde omdat het verdrag niet meer op de meerderjarige dochters van toepassing is. De rechtbank concludeerde dat de minister de belangen van de dochters zwaarder mocht laten wegen en wees het beroep af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de geslachtsnaamwijziging van zijn meerderjarige dochters wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.