In deze civiele zaak vordert eiser betaling van provisie op grond van een bemiddelingsovereenkomst met gedaagde. De procedure spitst zich toe op provisie over omzet gerealiseerd bij een specifieke locatie en groep van een zorginstelling. Gedaagde erkent de omzet en de berekende provisie, maar stelt dat reeds een groot deel is betaald.
De kantonrechter bevestigt dat de procedure zich beperkt tot de omzet bij de betreffende locatie en groep, ondanks verklaringen dat de bemiddeling ook voor andere vestigingen zou gelden. De overeengekomen provisiepercentages zijn toegepast op de door gedaagde overgelegde facturen, waaruit blijkt dat eiser nog recht heeft op een bedrag van €268,75.
Eiser vordert daarnaast wettelijke handelsrente vanaf 14 december 2022, welke wordt toegewezen omdat gedaagde deze niet betwist. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden slechts gedeeltelijk toegewezen tot het wettelijk maximum exclusief btw, omdat eiser de btw niet kan vorderen en het gevorderde bedrag hoger is dan het Besluit toestaat.
De kantonrechter wijst de proceskosten toe aan gedaagde vanwege het niet tijdig verstrekken van noodzakelijke factuurgegevens, waardoor de procedure had kunnen worden voorkomen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.