Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
mr. A.L. Rinsma, en van wat door verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 2 december 2023 werd verdachte verdacht van het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij een vierjarig kind zwaar letsel opliep. De officier van justitie stelde dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden betrokken te zijn bij het ongeval, onderbouwd met audiovisuele opnamen, forensisch bewijs en het letsel van het slachtoffer.
Verdediging voerde aan dat verdachte in een afgesloten auto zat met radio en kachel aan, waardoor hij de aanrijding en het gegil mogelijk niet heeft gehoord. Ook werd betoogd dat het slachtoffer plotseling en slecht zichtbaar de weg op rende, en dat de schade aan de auto gering was, waardoor verdachte het ongeval niet heeft kunnen voelen.
De rechtbank oordeelde dat het niet bewezen kon worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden betrokken te zijn bij het ongeval. De geluiden konden door de omstandigheden gedempt zijn waargenomen, het zicht op het kind was mogelijk belemmerd, en de schade aan de auto was gering en mogelijk al aanwezig. Verdachte handelde ook niet vluchtig maar reed zijn carport in in het zicht van omstanders.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank concludeerde dat ook een gemiddelde automobilist onder dezelfde omstandigheden het ongeval mogelijk niet had opgemerkt, waardoor verdachte niet tekortgeschoten is.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 5 december 2024.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden betrokken te zijn bij het verkeersongeval.